Onderwijs tijdens COVID-19: scholen en instellingen hebben zorgen over de continuïteit van het onderwijs en over leerachterstanden van leerlingen en studenten

In de periode tussen de zomervakantie en de herfstvakantie was er bij scholen en instellingen grote zorg over de voortdurende belasting van leraren. Als gevolg daarvan kwamen de continuïteit en kwaliteit van het onderwijs in gevaar. Er was daardoor ook aanhoudende zorg over oplopende en mogelijk blijvende leerachterstanden en het risico op groeiende kansenongelijkheid voor leerlingen en studenten. De situatie was volgens schoolleiders en bestuurders precairder dan vlak voor de zomervakantie, tijdens de tweede meting. Leerlingen en studenten in het (voorbereidend) middelbaar beroepsonderwijs werden extra hard getroffen door de beperkende maatregelen rondom COVID-19, vanwege de praktische aard van het onderwijs. Het gebrek aan fysiek onderwijs en de belemmeringen in de beroepspraktijkvorming leiden ertoe dat mbo-studenten steeds minder kans krijgen zich volwaardig te ontwikkelen en voor te bereiden op de arbeidsmarkt. Dit blijkt uit de resultaten van een derde afname van het monitoronderzoek naar de effecten van COVID-19 op het onderwijs door de Inspectie van het Onderwijs, bij een representatieve steekproef van 847 scholen, instellingen en samenwerkingsverbanden.

De inspectie sprak in de eerste helft van oktober telefonisch of per videoverbinding met schoolleiders, bestuurders, afdelingsleiders en onderwijsondersteunende medewerkers uit het gehele Nederlandse onderwijsveld. Zij schetsten een beeld van de situatie in de periode vanaf de start van het nieuwe schooljaar 2020/2021 tot aan de herfstvakantie. Tijdens de onderzoeksperiode liep de werkdruk opnieuw fors op en leidden personele problemen ertoe dat op veel scholen groepen leerlingen opnieuw geconfronteerd werden met (gedeeltelijk) afstandsonderwijs of lesuitval. Er leefden daarom zorgen over oplopende en mogelijk blijvende leerachterstanden en het risico op groeiende kansenongelijkheid.

Zorgen over de continuïteit van het onderwijs

Vrijwel alle ondervraagde scholen en instellingen kampten in de periode vanaf de zomervakantie tot aan de herfstvakantie met leraren die thuis waren om redenen gerelateerd aan COVID-19, zoals het wachten op een test(uitslag), feitelijke besmetting met het coronavirus of het uitzitten van een quarantaineperiode. Ondanks grote inspanningen om het fysieke onderwijs door te laten gaan, liepen veel scholen en instellingen tegen hun grenzen aan. In het po en vo voelde ongeveer een kwart van de scholen zich genoodzaakt om groepen leerlingen naar huis te sturen. In het (voortgezet) speciaal onderwijs betrof dit zo’n 40% van de scholen en in het mbo zelfs ruim 80% van de instellingen. In sommige gevallen gingen de scholen tijdelijk volledig dicht. In het ho kwam het gedeelte fysieke onderwijs over de gehele periode van zomer- tot herfstvakantie veelal niet boven de 30% uit.

Meer scholen en instellingen zagen achterstanden

Ruwweg een op de drie ondervraagden in het primair onderwijs gaf aan zich zorgen te maken over (potentieel) blijvende achterstanden bij leerlingen. Bovendien leefden er bij circa een op de vijf po-scholen zorgen over een toename in kansenongelijkheid tussen leerlingen, zoals die ook in het voorjaar tijdens de volledige schoolsluiting zichtbaar werd.

Ook het aantal ondervraagde vo-scholen dat een achterstand zag bij de leerlingen lag na de zomervakantie hoger dan voor de zomervakantie (rond 85% van de vmbo-, havo- en vwo-afdelingen zag gemiddeld genomen achterstanden). Een verklaring voor deze stijging is mogelijk dat bij de start van het nieuwe schooljaar meer scholen systematisch het niveau van alle leerlingen in kaart brachten en daarmee een accurater –en zorgelijker– beeld van de situatie kregen. Ook in het (v)so was een dergelijke trend zichtbaar. In het po waren de achterstanden al in beeld, maar namen de zorgen hierover toe.

In het mbo en hbo gaven ondervraagden aan dat het opdoen van te weinig praktijkervaring voor steeds meer studenten een knelpunt in de opleiding is. Een deel van de ondervraagden constateerde voornamelijk achterstanden in beroepsgerichte vaardigheden. In toenemende mate konden veel studenten niet terecht in de beroepspraktijkvorming en werden stages afgebroken of waren deze niet beschikbaar. Bovendien maakten bestuurders zich zorgen over de kwaliteit van de stages die wel doorgingen. Praktijklessen op de instelling vonden in een aantal gevallen slechts beperkt doorgang vanwege een gebrek aan ruimte of docenten. HO-instellingen vonden het lastig in te schatten hoeveel vertraging studenten door de COVID-19-aanpassingen hebben opgelopen. De schattingen varieerden van geen of nauwelijks vertraging tot gemiddeld twee à drie maanden vertraging. Als herkansingen of stages de komende maanden niet lukken, kan de vertraging voor sommige studenten nog verder oplopen.

Wat valt verder op?

Uit deze derde consultatie blijkt verder het volgende:

  • De aanhoudende belasting voor leraren, schoolleiders, docenten en teamleiders werd als zorgwekkend groot ervaren. Een primair punt van zorg voor schoolleiders en bestuurders was het nijpende tekort aan leraren en docenten: het opvangen van zieke of afwezige collega’s kostte veel energie, de kwaliteit van het onderwijs stond onder druk. “Hoe langer het duurt, hoe moeilijker het wordt om de functies van het onderwijs waar te maken”, aldus vele bestuurders van mbo-instellingen. Ook het handhaven van de 1,5 meter-regel in het vo, vso, mbo en ho en het intensievere en soms moeizame contact met ouders in het po vormden een extra belasting voor het onderwijspersoneel. Tegelijkertijd viel het zwaar om het directe contact met leerlingen en studenten te moeten missen en hen daardoor niet optimaal te kunnen ondersteunen. In dit kader spraken schoolleiders en bestuurders met grote waardering over de aanhoudende inzet en flexibiliteit van het personeel.
  • Flink meer scholen voor funderend onderwijs verzorgden weer volledig fysiek onderwijs in de periode tussen de zomer- en herfstvakantie. Een klein aantal scholen voor vo gaf na de zomervakantie nog (gedeeltelijk) afstandsonderwijs. Bij de herstart per 2 juni 2020 betrof dit nog een grote meerderheid van de scholen. In het (v)so was een soortgelijke beweging. Ook in het po rapporteerde een kleiner aantal scholen dat er leerlingen waren die niet meer naar school kwamen. De onderwijstijd en het lesprogramma waren daarmee voor veel scholen in eerste instantie weer vergelijkbaar met voor de COVID-19-crisis. In het po bijvoorbeeld volgde ruim drie kwart van de scholen weer het reguliere programma. De redenen waarom leerlingen na de zomervakantie niet naar school kwamen, waren duidelijk anders dan bij de herstart in mei/juni jongstleden. Toen bleef een klein deel van de leerlingen thuis vooral vanwege een verhoogde fysieke kwetsbaarheid (van iemand in het gezin) of omdat ouders twijfels hadden over de (handhaving van) de preventieve maatregelen binnen de school. Na de zomervakantie, toen de ‘tweede golf’ in opmars was, was de voornaamste reden voor afwezigheid dat leerlingen in quarantaine zaten, omdat bij hen zelf of bij hun huisgenoten een COVID-19-besmetting vermoed of geconstateerd was.
  • Nijpend gebrek aan fysiek onderwijs voor studenten en docenten in het middelbaar beroepsonderwijs. In het mbo sloeg de balans nog steeds door naar ‘vooral afstandsonderwijs’. Dit tot ongenoegen van de meeste studenten en docenten, die de voordelen van fysiek onderwijs – meer feedback, betere concentratie, sterkere motivatie, zichtbaarheid, interactie en dynamiek – benadrukten. Studenten kregen onderwijs dat vaak onvoldoende aansluit op hun leerbehoefte en misten de interactie op school die bijdraagt aan hun persoonsvorming, socialisatie en beroepsvorming. Onderwijsactiviteiten op de instellingen waren vaak praktijklessen, begeleidingsgesprekken en examenvoorbereiding. Al met al zagen bestuurders in deze beperkingen niet alleen een risico voor de kwalificatiefunctie maar met name voor de socialisatiefunctie van het onderwijs. De instellingen trachtten de sociale integratie van eerstejaars studenten te faciliteren ter compensatie van het wegvallen van de introductieperiode en het veelal online onderwijs, bijvoorbeeld door in kleine groepen activiteiten op de campus te organiseren. Ook kregen eerstejaarsstudenten vaak intensievere begeleiding en meer ruimte om fysiek naar de instelling te komen dan ouderejaarsstudenten.
  • Extra aandacht voor eerstejaarsstudenten in het hoger onderwijs. Instellingen voor ho konden eveneens nog maar in beperkte mate terugschakelen naar fysiek onderwijs. Net als de instellingen voor mbo trachtten zij de sociale integratie van eerstejaarsstudenten te faciliteren ter compensatie van het wegvallen van de introductieperiode en het veelal online onderwijs, bijvoorbeeld door in kleine groepen activiteiten op de campus te organiseren. Ook op de ho-instellingen kregen eerstejaarsstudenten vaak intensievere begeleiding en meer ruimte om fysiek naar de instelling te komen dan ouderejaarsstudenten.

Vervolg

In de Staat van het Onderwijs 2021 zullen we uitgebreid rapporteren over de drie metingen van onze COVID-19-monitor in de afgelopen periode. Ook beschrijven we dan de resultaten van onderzoek naar de gevolgen van COVID-19 voor onderwijsresultaten en naar afstandsonderwijs.

©Rijksoverheid

Onderzoeksresultaten en highlights per sector

Bekijk het complete overzicht van de respons op de vragenlijsten en de highlights per onderwijssector.