Naar een nieuw onderwijsresultatenmodel primair onderwijs

De wijze waarop de inspectie de onderwijsresultaten in het primair onderwijs beoordeelt, is toe aan vernieuwing. We ontwikkelen momenteel een model waarmee we de onderwijsresultaten in het primair onderwijs gaan beoordelen. Vooraf zijn hiervoor samen met het veld uitgangspunten vastgesteld. Zo moet het nieuwe model als fair en rechtvaardig worden ervaren, de eigen verantwoordelijkheid van scholen en besturen stimuleren en recht doen aan passend onderwijs.

Het nieuwe model

We willen het oordeel over de basisvaardigheden gaan baseren op de referentieniveaus voor taal en rekenen. Daarbij onderscheiden we 2 indicatoren, waarin we de behaalde referentieniveaus voor taalverzorging, lezen en rekenen samen nemen:

  1. behalen voldoende leerlingen het niveau dat in principe alle leerlingen aan het eind van de basisschool zouden moeten kunnen bereiken (het fundamenteel niveau 1F)?
  2. behalen voldoende leerlingen het streefniveau (1S voor rekenen en 2F voor lezen en taalverzorging)?

Om een stabiel beeld te krijgen, kijken we naar de resultaten van de laatste 3 jaar samen. De resultaten van alle leerlingen (exclusief de leerlingen die voldoen aan de ontheffingsgronden) tellen mee. Afhankelijk van de leerlingenpopulatie kan de lat voor het aantal leerlingen dat 1S/2F haalt hoger of lager liggen. We houden rekening met de leerlingenpopulatie door te kijken naar de schoolweging. Tijdens een onderzoek nemen we de verantwoording van de school over de resultaten mee in ons oordeel. Hierbij denken wij aan bijzonderheden met betrekking tot de leerlingenpopulatie en passend onderwijs.

Een nieuwe maat voor de leerlingenpopulatie: de schoolweging

Een belangrijke wijziging betreft de manier waarop we rekening houden met de leerlingenpopulatie (de schoolweging). Op dit moment doen we dit aan de hand van het percentage gewichtenleerlingen op de school. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft onderzocht welke kenmerken het risico op een onderwijsachterstand van een leerling het best voorspellen. Dit zijn: het opleidingsniveau van de ouders, het gemiddeld opleidingsniveau van alle moeders op school, het land van herkomst van de ouders, de verblijfsduur van de moeder in Nederland en of ouders in de schuldsanering zitten. Het CBS kan hiermee voor elke leerling een verwachte onderwijsscore berekenen. De verwachte onderwijsscores van alle leerlingen op de school bepalen de hoogte van de schoolweging. De schoolweging varieert in de praktijk van 20 tot 40; hoe hoger de schoolweging hoe groter het risico op onderwijsachterstanden op een school. Met deze nieuwe maat kunnen wij beduidend beter onderscheid maken tussen de verschillende leerlingenpopulaties.

In een pilot hebben we de schoolweging getest bij 11 besturen.

Het CBS levert ons de schoolweging van elke school, tenzij het bestuur van de school hier actief bezwaar tegen maakt. Begin september hebben alle po-besturen hierover een brief per post en e-mail ontvangen. Wij beschouwen het als ondersteuning van het nieuwe model dat alle besturen akkoord zijn gegaan met levering van de schoolweging door CBS.

Zie ook de pagina met veelgestelde vragen over de schoolweging.

Planning

Het is de bedoeling om in het schooljaar 2019/2020 proef te draaien met het nieuwe onderwijsresultatenmodel en het in 2020/2021 officieel in te voeren.