Als inspectie kijken we hoe voorscholen en de onderbouw van het primair onderwijs de ontwikkeling van jonge kinderen ondersteunen, voor kinderen van 2,5 tot 6 jaar. We doen dat omdat wetenschappelijk onderzoek laat zien dat in de eerste levensjaren de basis voor belangrijke vaardigheden wordt gelegd en een goede ontwikkeling cruciaal is voor de schoolloopbaan. In ons onderzoekskader 2021 beschrijven we hoe we toezicht houden op voor- en vroegschoolse educatie en het primair onderwijs, met standaarden die ook voor deze leeftijd gelden. Toch kijken we soms net even anders naar de standaarden voor onderwijs aan jonge kinderen.
Hieronder laten we zien welke standaarden uit het onderzoekskader we toepassen in het onderwijs aan het jonge kind.
Aanbod
We verwachten dat het aanbod voor het jonge kind is gericht op de brede ontwikkeling, uitgaat van afstemming tussen opvang en onderwijs en zich richt op de doorgaande lijn naar groep 3. Het aanbod en het ontwikkelingsmateriaal sluit aan bij ontwikkelingsniveau van de leerling en klimt op in moeilijkheidsgraad. Het aanbod is gedifferentieerd en betekenisvol en daarbij is de inrichting van de ruimte aantrekkelijk, uitdagend en spel- en taaluitlokkend. Integrale of thematische activiteiten worden aangeboden vanuit een doelgerichte planning op de 4 ontwikkelingsgebieden: Nederlandse taal, rekenen-wiskunde, motorische en sociaal-emotionele ontwikkeling. Daarbij worden deze domeinen in samenhang aangeboden.
Zicht op ontwikkeling
We verwachten dat de school de overdracht gegevens van de kinderopvang benut, waar mogelijk of nodig in een warme overdracht. Leraren volgen systematisch de brede ontwikkeling van leerlingen aan de hand van een observatiesysteem. De school stemt het onderwijs af op het ontwikkelingsniveau van de leerling, waarbij er specifieke aandacht is voor kinderen die dat nodig hebben.
Pedagogisch-didactisch handelen
We zien dat de leraren structureel (‘de hele dag’) effectieve en doelgerichte activiteiten voor het stimuleren van de brede ontwikkeling organiseren. Ze zorgen voor actieve betrokkenheid van leerlingen en verrijken het spelen en werken. De begeleiding van de activiteiten is gericht op de zone van naaste ontwikkeling, waarbij de leraren de ontwikkeling van aanpakgedrag (strategieën) bij leerlingen bevorderen. Leraren geven feedback op het leerproces van de kinderen.
Leraren wisselen leerkrachtgestuurde instructies af met activiteiten op basis van inbreng van kinderen. Ze stimuleren actieve betrokkenheid door initiatieven van kinderen serieus te nemen. Daarbij bevorderen ze de interactie (o.a. door het stellen van open vragen) en zorgen ze ervoor dat vooral de leerlingen aan het woord zijn.
Leraren zijn respectvol, responsief, hanteren duidelijke pedagogische gedragsgrenzen (ze geven uitleg over het hoe en waarom van het gedrag) en bevorderen de sociale vaardigheden, autonomie en zelfstandigheid van de leerlingen.
Kwaliteitszorg
We verwachten dat de school voor het onderwijs in groep 1-2 specifieke doelen en beleid vaststelt en deze baseert op de kenmerken van de leerlingpopulatie en de referentieniveaus. De school realiseert deze doelen en beleid en evalueert systematisch of deze worden behaald. De school beschrijft vervolgens planmatig en doelgericht de maatregelen ter verbetering van het onderwijs in de groepen 1-2, op basis van eerdere evaluaties van doelen. De school werkt tot slot gezamenlijk aan de voortdurende verbetering van professionaliteit gericht op de onderbouw en de doorgaande lijn.