Databronnen en definities

Databestanden

1. Basis Register Onderwijs (BRON) Hoger Onderwijs (BRON-HO )

BRON-HO (voormalig CRI-HO) wordt door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) Den Haag bewerkt en verrijkt tot 1cijferHO en is vervolgens door de inspectie bewerkt tot een instroomcohortbestand, een inschrijvingenbestand en een diplomabestand. Dit betreffen gegevens over het bekostigde hoger onderwijs van studenten waarvoor de instellingen bekostiging krijgen en studenten waarvoor dit niet geldt. Het niet bekostigd onderwijs is vanaf 2018 ook aangesloten. De eerste gegevenslevering over het niet bekostigd onderwijs vindt naar verwachting rond de zomer van 2018 plaats.

instroomcohortbestand

Een instroomcohort zoals door de inspectie gedefinieerd, bestaat uit unieke hoofdinschrijvingen die 1 oktober van een jaar ‘t’ de eerste keer voorkomen op een specifieke brin-isatcombinatie (domein brin-isat). Op het instroomcohortbestand worden de kengetallen instroom, switch, uitval en diplomarendement berekend.

  • Neveninschrijvingen tellen niet mee.
  • Het gaat om een hoofdinschrijving aan een brin-isat. In het geval van meer dan één hoofdinschrijving gekoppeld aan een onderwijsnummer, is de inschrijvingsstatus van het domein hoger onderwijs leidend. Er wordt dus maar één hoofdinschrijving per onderwijsnummer geteld binnen een cohort.
  • Een eerste hoofdinschrijving aan een brin-isatcombinatie sluit niet uit dat de betreffende persoon al eerdere inschrijvingen heeft gehad in het hoger onderwijs aan andere brin-isatcombinaties.

inschrijvingenbestand

Het inschrijvingenbestand is het op onderwijsnummer ontdubbeld 1cijferHO. Het inschrijvingenbestand bestaat uit unieke hoofdinschrijvingen per peildatum (1 oktober van jaar T). Op het inschrijvingenbestand wordt het aantal inschrijvingen naar relevante kenmerken berekend.

  • Neveninschrijvingen tellen niet mee.
  • Het gaat om een hoofdinschrijving op 1 oktober van jaar t in het domein hoger onderwijs.

diplomabestand

Het diplomabestand is een telbestand van diploma’s dat is gebaseerd op alle inschrijvingen in 1cijferHO. Per inschrijvingsjaar is nagegaan hoeveel diploma’s er zijn behaald. Dit wordt gedaan door diploma’s te tellen die zijn behaald tussen de peilmomenten 1 oktober jaar T en 1 oktober jaar T+1. Heeft een student twee diploma’s behaald in één jaar, dan tellen beide diploma’s mee. Ze geven immers beide toegang tot (een deel van) de arbeidsmarkt. Ook als een student een diploma heeft behaald aan een opleiding waar hij een neveninschrijving heeft, dan wordt dit diploma meegeteld. We onderscheiden diploma’s die bij het afronden van de propedeuse worden afgegeven (alleen voor HBO) en diploma’s die een afronding van een opleidingsfase markeren en recht geven op het voeren van een graad (associate degree, bachelor of master).

2. Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO )

CROHO wordt beheerd door DUO Groningen (Dienst Uitvoering Onderwijs) en is door de inspectie bewerkt tot een opleidingentelbestand over een reeks van jaren waarbij per jaar het geaccrediteerd opleidingenaanbod, inclusief de bijbehorende opleidingskenmerken in CROHO, per 1 oktober van jaar T wordt geteld. Opleidingen die na 1 oktober van een bepaald jaar zijn gestart, tellen voor dat jaar niet mee in het totaal van het aanbod.

3. NSE (De Nationale Studenten Enquête)*

De Nationale Studenten Enquête (NSE) is het grootschalige landelijke onderzoek waarin jaarlijks bijna alle studenten in het hoger onderwijs worden uitgenodigd om hun mening te geven over hun opleiding. Alle NVAO-geaccrediteerde opleidingen aan hogescholen en universiteiten in Nederland kunnen participeren aan dit onderzoek. De NSE-data geven een indicatie van hoe tevreden studenten zijn over hun opleiding. Dit wordt weergegeven met een cijfer tussen de 1 en 5.  

De NSE valt onder verantwoordelijkheid van Stichting Studiekeuze123. Stichting Studiekeuze123 is een initiatief van de Nederlandse Raad voor Training en Opleiding (NRTO), Vereniging Hogescholen en VSNU en de studentenorganisaties LSVb en ISO, en vertegenwoordigt daarmee het gehele hoger onderwijs. De NSE wordt uitgevoerd door onderzoeksbureau GfK Intomart in opdracht van Studiekeuze123.

Het aantal studenten uit het niet-bekostigd onderwijs dat heeft meegedaan aan de NSE is voor sommige indicatoren te klein om uitspraken te doen.

* De databeschrijving is een bewerking van de website tekst van de bestandeigenaar

4. Schoolverlatersinformatiesysteem (SIS) 1999-2012, waaronder de HBO-monitor

SIS bestaat uit een aantal verschillende schoolverlatersonderzoeken waarvoor elk najaar ongeveer tachtigduizend individuen worden benaderd. In de eerste plaats bevat het de gegevens uit een enquête gericht op schoolverlaters van het voortgezet onderwijs (havo, vwo) en het voorbereidend beroepsonderwijs (vmbo), de VO-Monitor. Daarnaast vindt er een jaarlijks onderzoek plaats onder schoolverlaters van de beroepsopleidende (BOL) en beroepsbegeleidende (BBL) leerwegen van het secundair beroepsonderwijs, de BVE-Monitor. In de derde plaats zijn opgenomen de gegevens uit de HBO-Monitor, die wordt gehouden onder afgestudeerden van het hbo. Het systeem beoogt een monitoringsinstrument van de transitie van school naar werk over de volle breedte van het onderwijs. Ontwerp, uitvoering en beheer van SIS berusten bij het ROA. Het veldwerk wordt verzorgd door DESAN Research Solutions te Amsterdam. De HBO-monitor past in de analyses een wegingsfactor toe. Deze is meegenomen in de gepresenteerde gegevens.

5. De Nationale alumni Enquête (NAE en voorheen wo monitor)

De Nationale alumni Enquête (voorheen WO-Monitor) is een landelijke enquête onder alle recent afgestudeerde master- en doctoraalstudenten aan de (bekostigde) Nederlandse universiteiten. Het onderzoek vindt sinds 2009 tweejaarlijks plaats en wordt sinds 2015 uitgevoerd door Desan Research Solutions (daarvoor door IVA Onderwijs), in opdracht van de VSNU. De uitkomsten bieden inzicht in de aansluiting tussen de wo-masteropleiding en de arbeidsmarkt.

De data van het onderzoek zijn eigendom van de universiteiten. Ze worden beschikbaar gesteld aan het ROA ten behoeve van het onderzoek “Schoolverlaters tussen onderwijs en arbeidsmarkt”. Daarnaast worden diverse uitkomsten beschikbaar gesteld aan de database Studiekeuzeinformatie. Het databestand is gedeponeerd bij Data Archiving and Networked Services ( DANS, http://www.dans.knaw.nl/nl) en wordt op verzoek en na toestemming van data-eigenaren ter beschikking gesteld aan derden. In tegenstelling tot de HBO-monitor past de WO-monitor geen weging toe.

6. NVAO-oordelen: NVAO-DATABANK BEOORDEELDE OPLEIDINGEN

http://www.nvao.net/home.html

De NVAO beoordeelt de interne kwaliteitszorg van universiteiten en hogescholen en de kwaliteit van opleidingen. Voltijd-, deeltijd- en duale opleidingen worden niet apart beoordeeld. Indien een opleiding zowel een voltijd- als een deeltijdvariant aanbiedt, zijn de oordelen op beide van toepassing. Het panel dat het oordeel geeft, bekijkt daartoe wel de actieve varianten.

Op dit moment maken de NVAO-oordelen nog geen onderdeel uit van de sectorprofielen. In de sectorbeelden is dit wel het geval.

Voor de sectorbeelden zijn alleen opleidingen uit de sectoren meegenomen die in 2013/2014, 2014/2015 en/of 2015/2016 actief waren. Aangehouden peildatum: 1 mei 2016.

NVAO: Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie. In Nederland beoordeelt de NVAO de interne kwaliteitszorg van universiteiten en hogescholen en de kwaliteit van hun opleidingen.

Accreditatie: het keurmerk dat tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een opleiding door de accreditatieorganisatie positief is beoordeeld. Accreditatie vindt plaats op het niveau van de opleiding. De NVAO verleent het accreditatiekeurmerk aan een bestaande opleiding in het hoger onderwijs na toetsing van de externe beoordeling die in opdracht van een Nederlandse universiteit, hogeschool of rechtspersoon voor hoger onderwijs is uitgevoerd.

Kader: Accreditatie vindt plaats via een "beperkte" of "uitgebreide" opleidingsbeoordeling of toets nieuwe opleiding. Wanneer de instelling de instellingstoets kwaliteitszorg heeft behaald, worden opleidingen beoordeeld via de "beperkte" toets.

Accreditatietermijn: De accreditatietermijn voor een bestaande en nieuwe opleiding duurt maximaal zes jaar. De NVAO kan besluiten tot het verlenen van een herstelperiode van maximaal twee jaar. Bij instellingen die niet beschikken over een “positief besluit" (onder voorwaarden) voor de instellingstoets kwaliteitszorg, geldt na een positieve opleidingsbeoordeling een accreditatietermijn van maximaal vier jaar.

Accreditatiebesluit: Besluit strekkende tot het verlenen van accreditatie aan een bestaande opleiding in het hoger onderwijs.

Datum besluit: datum die op het accreditatiebesluit staat vermeld.

Eindoordeel: Het instellingsbestuur vraagt op basis van het beoordelingsrapport accreditatie aan bij de NVAO. De NVAO kan besluiten de opleiding te accrediteren, niet te accrediteren of een herstelperiode toe te kennen. Oordeel: onvoldoende, voldoende, goed, excellent.

Toets nieuwe opleiding (TNO): Een toets van de NVAO voor het toetsen van de onderwijskwaliteit van nieuwe opleidingen.

Oordeel TNO (besluit TNO): De NVAO kan op hoofdlijnen drie mogelijke besluiten nemen: een positief oordeel, een oordeel positief onder voorwaarden of een negatief oordeel over de toets nieuwe opleiding. De NVAO kan voorwaarden verbinden aan het besluit. In dat geval dient de opleiding binnen maximaal twee jaar een aanvullende beoordeling aan te vragen, waarbij de NVAO beziet of de opleiding inmiddels aan de gestelde voorwaarden heeft voldaan.

Standaard: elke accreditatie kent een aantal standaarden.

Standaard Beoogde eindkwalificaties: de beoogde eindkwalificaties van de opleiding zijn wat betreft inhoud, niveau en oriëntatie geconcretiseerd en voldoen aan internationale eisen. Oordeel: onvoldoende, voldoende, goed, excellent.

Standaard Gerealiseerde eindkwalificaties: De opleiding toont aan dat de beoogde eindkwalificaties worden gerealiseerd. Oordeel: onvoldoende, voldoende, goed, excellent.

Hersteltermijn: de NVAO kan besluiten de geldigheidsduur van een bestaande accreditatie, respectievelijk toets nieuwe opleiding, te verlengen en een zogenaamde ‘herstelperiode’ toekennen. Hiertoe kan de NVAO beslissen als zij vaststelt dat de opleiding niet voldoet aan alle vereiste kwaliteitsaspecten. Een herstelperiode kan alleen maar worden toegekend als de NVAO van mening is dat de gebreken redelijkerwijs binnen een periode van ten hoogste twee jaar zijn te herstellen.

Nadere inkadering opleidings- en studentkenmerken

De opleidings- en studentkenmerken vallen uiteen in een aantal onderdelen, namelijk die van toepassing zijn op het totaal hoger onderwijs, de afzonderlijke opleidingen en op studenten. In de figuren en tabellen is (waar mogelijk) een relevante benchmark opgenomen.

Totaal hoger onderwijs: hoogste aggregatieniveau oftewel het geheel aan geaccrediteerde opleidingen/programma’s binnen het hoger onderwijs zonder verdere onderverdeling naar sectoren, subsectoren, soort hoger onderwijs, opleidingsfase en opleidingstype of bekostigingstype (zie hieronder).

Sector: ordeningsprincipe in CROHO (voorheen HOOP-sectoren). Alle geaccrediteerde opleidingen in CROHO zijn onderverdeeld naar CROHO-onderdelen. In het CROHO worden tien onderdelen onderscheiden namelijk Techniek, Recht, Gezondheidszorg, Taal & Cultuur, Gedrag & Maatschappij, Landbouw & natuurlijke omgeving, Onderwijs, Economie en Natuur. De laatste sector komt uitsluitend in het wetenschappelijke onderwijs voor. De sectorindeling van de inspectie is geïnspireerd op de CROHO-indeling. Wanneer een opleiding is geregistreerd binnen een CROHO-onderdeel is dat bepalend voor de indeling in een sector.

Subsector: nadere onderverdeling van inhoudelijk sterk verwante opleidingen binnen een sector. In CROHO wordt dit slechts in beperkte mate gebruikt, binnen ISCED en de sectorindeling van de inspectie zijn alle opleidingen onderverdeeld naar subsectoren.

Soort hoger onderwijs: binnen het totaal hoger onderwijs onderscheiden we twee onderwijssoorten namelijk het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs, zie ook artikel 1.1 WHW begripsbepalingen. Dit is het hoogste aggregatieniveau waarop een benchmark berekend is. Soort ho heeft dan betrekking op het gemiddelde van het hoger beroepsonderwijs of wetenschappelijk onderwijs.

Opleidingsfase: opleiding zoals bedoeld in artikel 7.3 WHW waarvoor een accreditatie is verleend of die een toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan en is opgenomen in het CROHO. Het hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs kennen twee soorten opleidingsfasen, namelijk een bacheloropleiding en masteropleiding. Afronding van de bachelorfase is een van de voorwaarden voor toelating tot de masterfase. In het hoger beroepsonderwijs bestaan er daarnaast ook associate degree-programma’s (Ad’s), artikel 7.8a WHW. Deze Ad’s zijn sinds 1 januari 2018 zelfstandige opleidingen.

Opleidingstype: een opleiding kan in drie vormen door de instelling worden aangeboden, namelijk voltijd, deeltijd of duaal. Een voltijdse opleiding of voltijds programma bestaat uit 60 ECTS (1.680 studiebelastingsuren) per studiejaar. De studiebelasting voor een deeltijdopleiding wordt vastgesteld door het instellingsbestuur. Gezien de aard van de studentenpopulatie en de geringe aantallen studenten die een duaal opleidingstraject volgen, blijft duaal veelal buiten beschouwing.

Bekostigingsniveau: in CROHO worden 3 bekostigingsniveaus onderscheiden, namelijk: laag, hoog en top.

Vooropleiding: hoogst genoten vooropleiding van de student die (direct) instroomt in opleiding-instellingcombinatie in het hoger onderwijs. De volgende categorieën worden onderscheiden:

internationaal / Europees baccalaureaat, mbo, havo, vwo en overig.

Studenten waarvan de vooropleiding onbekend is, worden buiten beschouwing gelaten. De vooropleiding wordt alleen gepresenteerd voor de directe instroom (zie K8)

NB: Andere populatiekenmerken zoals geslacht en migratieachtergrond beschouwen we als maatwerk en zijn niet opgenomen in de vaste set van kengetallen.

Minimale steekproefgrootte: in een aantal gevallen waar percentages worden gepresenteerd zijn ‘waarnemingen’ met minder dan 50 personen per subgroep buiten beschouwing gelaten. Daarmee zijn de gepresenteerde gegevens gebaseerd op voldoende waarnemingen om een betrouwbaar beeld te schetsen. Waar dit van toepassing is staat dit in een voetnoot onder de figuren aangegeven. Overigens geldt dit niet voor gegevens over absolute aantallen waar geen gemiddelde over wordt berekend.

Kengetallen sectorprofiel

Context

1. Totaal aantal opleidingen (grootte van het aanbod)

Aantal actuele bekostigde en niet-bekostigde voltijd-, deeltijd- en duale opleidingen (unieke brin-isatcombinaties) dat per 1 oktober van jaar T in CROHO een actuele status heeft. Indien een opleiding in verschillende varianten wordt aangeboden (voltijd, deeltijd en/of duaal), tellen we dit als één opleiding. Ook als een opleiding op meer dan één vestigingsplaats in CROHO staat geregistreerd tellen we dit als een opleiding.

2. Totaal aantal unieke opleidingen (breedte van het aanbod)

Aantal actuele bekostigde en niet-bekostigde voltijd- en deeltijd-/duale opleidingen (unieke isat-codes) dat per 1 oktober van jaar t in CROHO een actuele status heeft.

3. Totaal aantal nieuwe opleidingen

Aantal in croho geregistreerde actuele brin-isatcombinaties op 1 oktober van jaar t, waarvan geen eerdere CROHO-registratie in de jaren 1993 tot en met t-1 bestaat.

4. Totaal aantal opleidingen met ten minste één hoofdinschrijving

Aantal bekostigde brin-isat combinaties op 1 oktober van jaar t in 1cijferHO met ten minste één hoofdinschrijving.

Inschrijvingen en instroom

5. Inschrijvingsjaar

Het kalenderjaar waarin op teldatum 1 oktober unieke hoofdinschrijvingen worden geteld.

6. Hoofdinschrijving

Unieke hoofdinschrijving in het domein hoger onderwijs op 1 oktober van jaar t.

7. Instroomcohort (cohortgrootte)

Het aantal unieke hoofdinschrijvingen van een brin-isatcombinatie dat op 1 oktober van jaar t de eerste maal in 1cijferHO voorkomt op die specifieke brin-isatcombinatie.

8. Directe instroom

Hoofdinschrijvingen van een brin-isatcombinatie dat op 1 oktober van jaar t de eerste maal in 1cijferHO voorkomt op die specifieke brin-isatcombinatie en waarvan geen eerdere inschrijving in 1cijferHO bekend is.

9. Indirecte instroom

Hoofdinschrijvingen van een brin-isatcombinatie dat op 1 oktober van jaar T de eerste maal in 1cijferHO voorkomt op die specifieke brin-isatcombinatie en waarvan een eerdere inschrijving in 1cijferHO bekend is.

Directe en indirecte instroom samen is cohortgrootte K7.

10. Leerroutes

Een leerroute volgt een student die met een diploma behaald in het hoger onderwijs instroomt in een (naast)hogere opleiding in het hoger onderwijs.

Doorstroom

11. Uitval

Aantal unieke hoofdinschrijvingen van een opleiding dat op 1 oktober van jaar T de eerste maal in 1cijferHO voorkomt in een brin-isatcombinatie en op 1 oktober van jaar T+1 niet meer in 1cijferHO voorkomt gedeeld door cohortgrootte (K7).

12. Opleidingsswitch = totale switch

Aantal unieke hoofdinschrijvingen domein HO dat op 1 oktober van jaar T de eerste maal in 1cijferHO voorkomt in een brin-isatcombinatie en op 1 oktober van jaar T+1 aan een andere opleiding (isat) staat ingeschreven gedeeld door cohortgrootte.

13. Opleidingsswitch binnen subsectoren

Aantal unieke hoofdinschrijvingen domein HO dat op 1 oktober van jaar T de eerste maal in 1cijferHO voorkomt in een brin-isatcombinatie en op 1 oktober van jaar T+1 aan een andere opleiding binnen dezelfde subsector staat ingeschreven gedeeld door cohortgrootte. Wordt ook gebruikt voor bestemming na switch.

14. Subsectorswitch binnen sectoren

Aantal unieke hoofdinschrijvingen domein HO dat op 1 oktober van jaar T de eerste maal in 1cijferHO voorkomt in een brin-isatcombinatie en op 1 oktober van jaar T+1 aan een andere subsector binnen dezelfde sector staat ingeschreven gedeeld door cohortgrootte. Wordt ook gebruikt voor bestemming na switch.

15. Sectorswitch

Aantal unieke hoofdinschrijvingen domein HO dat op 1 oktober van jaar T de eerste maal in 1cijferHO voorkomt in een brin-isatcombinatie en op 1 oktober van jaar T+1 aan een andere sector staat ingeschreven gedeeld door cohortgrootte. Wordt ook gebruikt voor bestemming na switch.
De totale switch bestaat uit de optelsom van opleidingsswitch binnen subsectoren, opleidingsswitch binnen sectoren en sectorswitch. Kengetal 13 +14 +15 = 12.

16. Opstroom van hbo-bachelor naar wo

Aantal instromers (K7 Instroomcohort) op 1 oktober van jaar T in hbo-bachelor dat na 1 jaar (gediplomeerd of ongediplomeerd) switcht naar wo gedeeld door cohortgrootte.

17. Afstroom van wo-bachelor naar hbo-bachelor

Aantal instromers (K7 Instroomcohort) op 1 oktober van jaar T in wo-bachelor dat na 1 jaar (gediplomeerd of ongediplomeerd) switcht naar hbo gedeeld door cohortgrootte.

18. Stand van Zaken T – T+5/T+8

Jaarlijkse stand van zaken van instroomcohort 1 oktober van jaar T (K7 Instroomcohort) met kengetallen nog in opleiding, gediplomeerd aan initiële opleiding, na switch gediplomeerd aan andere opleiding, geswitcht van opleiding (ongediplomeerd) of uitgevallen. Dit wordt gepresenteerd over een periode van vijf of acht jaar na jaar T. Voor masteropleidingen betreft dit nominaal plus één jaar uitgesplitst naar een- en tweejarige masteropleidingen.

Studenttevredenheid over de opleiding

19. ‘Ultimate Question’ uit NSE vragenlijst vanaf 2011

Percentage respondenten van NSE uit jaar t dat aangeeft de opleiding (zeker/waarschijnlijk) niet, misschien, of (waarschijnlijk/zeker) wel zou aanraden aan vrienden, familie of collega’s.

20. Studenttevredenheid over docenten

Tevredenheid van studenten is gecombineerde variabele over de docentvragen uit de NSE naar de tevredenheid van studenten over de inhoudelijke deskundigheid, de didactische kwaliteiten, kennis van docenten over beroepspraktijk en de betrokkenheid van docenten bij studenten. Het percentage respondenten van NSE uit jaar T dat aangeeft hier (zeer) ontevreden, neutraal en (zeer) tevreden over te zijn wordt getoond.

Uitstroom

21. Diploma aan initiële bacheloropleiding herinschrijvers (postpropedeutisch)

Aantal unieke hoofdinschrijvingen aan een bacheloropleiding van een instelling dat op 1 oktober van jaar T de eerste maal in 1cijferHO voorkomt in een brin-isatcombinatie en op 1 oktober van jaar t+1 opnieuw aan deze opleiding staat ingeschreven (herinschrijver) en in jaar T+nominale studieduur+1 een diploma heeft behaald aan dezelfde opleiding (exclusief propedeutische diploma’s) gedeeld door aantal herinschrijvers. Idem voor diplomarendement na 8 jaar.

22. Diploma aan initiële eenjarige masteropleiding, nominaal + 1

Aantal unieke hoofdinschrijvingen aan een masteropleiding van een instelling dat op 1 oktober van jaar T de eerste maal in 1cijferHO voorkomt in een brin-isatcombinatie en op 1 oktober van jaar T+nominale studieduur+1 een diploma heeft behaald aan dezelfde opleiding gedeeld door cohortgrootte.

23. Diploma aan initiële tweejarige masteropleiding, nominaal + 1

Aantal unieke hoofdinschrijvingen aan een masteropleiding van een instelling dat op 1 oktober van jaar T de eerste maal in 1cijferHO voorkomt in een brin-isatcombinatie en op 1 oktober van jaar T+nominale studieduur+1 een diploma heeft behaald aan dezelfde opleiding gedeeld door cohortgrootte.

24. Aantal diploma’s inclusief neveninschrijvingen en dubbele hoofdinschrijvingen

Aantal inschrijvingen op 1 oktober van jaar T dat met een diploma (exclusief propedeutisch diploma) staat geregistreerd (gebaseerd op 1cijferHO). In tegenstelling tot bijvoorbeeld het instroomcohort tellen hier neveninschrijvingen en dubbele hoofdinschrijvingen wel mee.

Nominale studieduur of benadering daarvan

Opleidingssoort

opleidingsfase

opleidingsvorm

nominale studieduur

Hbo

ad 120 ects

voltijd

2

Hbo

bachelor 240 ects

voltijd

4

Hbo

master 60 ects

voltijd

1

Hbo

master 120 ects

voltijd

2

Wo

bachelor 180 ects

voltijd

3

Wo

master 60 ects

voltijd

1

Wo

master 120 ects

voltijd

2

Arbeidsmarkt

26. Betaald werk

Percentage van de beroepsbevolking met betaald werk binnen achttien maanden na afstuderen.

27. Betaald werk op niveau

Percentage werkenden met baan op niveau op tijdstip van bevraging.

28. Betaald werk in zelfde richting als opleiding

Percentage werkenden met een baan in dezelfde richting als opleiding op tijdstip van bevraging.

29. Tevredenheid hbo-afgestudeerden over basis opleiding voor start op de arbeidsmarkt

Percentage werkende hbo-afgestudeerden (bachelor) dat (zeer) tevreden is over opleidingsbasis voor start op de arbeidsmarkt. Dit betreft vraag 37b a. uit de HBO-Monitor van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA). Voor de afgestudeerden van deeltijdopleidingen is deze vraag iets anders geformuleerd, namelijk de tevredenheid om door te groeien op de arbeidsmarkt.

30. Tevredenheid hbo-afgestudeerden over basis opleiding voor verdere ontwikkeling op de arbeidsmarkt

Percentage werkende hbo-afgestudeerden (bachelor) dat (zeer) tevreden is over opleidingsbasis voor verdere ontwikkeling op de arbeidsmarkt. Dit betreft vraag 37b b uit de HBO-Monitor van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA).

31. Tevredenheid wo-afgestudeerden over basis opleiding voor start op de arbeidsmarkt

Percentage werkende wo-afgestudeerden (master) dat opleiding in (zeer) sterke mate basis vindt voor start op de arbeidsmarkt. Dit betreft vraag 24 (voorheen 27) uit de wo-monitor van de VSNU.

32. Tevredenheid wo-afgestudeerden over basis opleiding voor verdere ontwikkeling op de arbeidsmarkt

Percentage werkende wo-afgestudeerden (master) dat opleiding in (zeer) sterke mate basis vindt voor verdere ontwikkeling op de arbeidsmarkt. Dit betreft vraag 25 (voorheen 28) uit de wo-monitor van de VSNU.

Kengetallen sectorbeelden

In aanvulling op de bovenstaande kengetallen worden in de sectorbeelden de volgende kengetallen getoond.

Doorstroom

33. Afstroom van hbo-bachelor naar mbo

Aantal uitvallers (K11) uit hbo-bachelor tussen 1 oktober van jaar T en 1 oktober van jaar T+1 met een inschrijving in BRON-MBO op 1 oktober van jaar T+1 gedeeld door cohortgrootte.

Studenttevredenheid over de opleiding

In tegenstelling tot de sectorprofielen is de studenttevredenheid over docenten in de sectorbeelden niet gecombineerd tot een totaalscore. De tevredenheid over verschillende docentonderwerpen zijn afzonderlijk opgenomen.

34. Studenttevredenheid over de inhoudelijke deskundigheid van docenten

Percentage respondenten van NSE uit jaar T dat aangeeft hier (zeer) ontevreden, neutraal en (zeer) tevreden over te zijn.

35. Studenttevredenheid over de didactische kwaliteit van docenten

Percentage respondenten van NSE uit jaar T dat aangeeft hier (zeer) ontevreden, neutraal en (zeer) tevreden over te zijn.

36. Studenttevredenheid over de kennis van docenten over de beroepspraktijk

Percentage respondenten van NSE uit jaar T dat aangeeft hier (zeer) ontevreden, neutraal en (zeer) tevreden over te zijn.

37. Studenttevredenheid over de betrokkenheid van de docenten bij de studenten

Percentage respondenten van NSE uit jaar T dat aangeeft hier (zeer) ontevreden, neutraal en (zeer) tevreden over te zijn.

NVAO-oordelen

38. Toets nieuwe opleidingen

Aantal toetsen voor nieuwe opleidingen in de sector van opleidingen die in 2013/2014, 2014/2015 en/of 2015/2016 actief waren en met kader 2003 door de NVAO zijn beoordeeld. Daarnaast het aantal toetsen voor nieuwe opleidingen uit de sector van opleidingen die in 2013/2014, 2014/2015 en/of 2015/2016 actief waren en met kader 2010 door de NVAO zijn beoordeeld.

39. Eindoordelen

Aantal accreditaties, per uitkomstcategorie (negatief, positief), van bestaande en in 2013/2014, 2014/2015 en/of 2015/2016 actieve opleidingen in de sector die met kader 2003 zijn beoordeeld. Daarnaast het aantal accreditaties, per uitkomstcategorie (onvoldoende, voldoende, goed, excellent), van bestaande en in 2013/2014, 2014/2015 en/of 2015/2016 actieve opleidingen in de sector die met kader 2010 zijn beoordeeld.

40. Oordeel op standaard gerealiseerd eindniveau

Aantal oordelen op de standaard gerealiseerd eindniveau, per uitkomstcategorie (onvoldoende, voldoende, goed, excellent), van bestaande en in 2013/2014, 2014/2015 en/of 2015/2016 actieve opleidingen in de sector die met kader 2003 zijn beoordeeld. Daarnaast het aantal oordelen op de standaard gerealiseerd eindniveau, per uitkomstcategorie (onvoldoende, voldoende, goed, excellent), van bestaande en in 2013/2014, 2014/2015 en/of 2015/2016 actieve opleidingen in de sector die met kader 2010 zijn beoordeeld.

41. Hersteltermijnen

Aantal accreditaties van bestaande en in 2013/2014, 2014/2015 en/of 2015/2016 actieve opleidingen in de sector die na beoordeling met kader 2010 door de NVAO een onvoldoende hebben gescoord en vervolgens een hersteltraject hebben gekregen en intussen hersteld zijn of nog in herstel verkeren.

Arbeidsmarkt

42. Studenttevredenheid over de praktijkgerichtheid van de opleiding

Percentage respondenten van NSE uit jaar T dat aangeeft hier (zeer) ontevreden, neutraal en (zeer) tevreden over te zijn.

43. Studenttevredenheid over het contact met de beroepspraktijk (bijvoorbeeld stages, gastsprekers)

Percentage respondenten van NSE uit jaar T dat aangeeft hier (zeer) ontevreden, neutraal en (zeer) tevreden over te zijn.