Waarom en hoe beoordeelt de inspectie onderwijsresultaten in het (voortgezet) speciaal onderwijs? Over deze vraag organiseerden we op 16 september 2025 een webinar. Deze webinar Onderwijsresultaten in het (voortgezet) speciaal onderwijs werd live bijgewoond door bijna 600 deelnemers. Hier kunt u de webinar (terug)kijken, inclusief ondertiteling.

Op de pagina Onderwijsresultaten in het (voortgezet) speciaal onderwijs vindt u meer informatie.
Veelgestelde vragen
Op basis van welke criteria bepaal je of een leerling is uitgestroomd conform het beoogde uitstroomniveau in het ontwikkelingsperspectief? Mag de school zelf bepalen welke leergebieden hierin leidend zijn of zijn hier richtlijnen voor? We gaan ervan uit dat de school dit uitstroomniveau in het ontwikkelingsperspectief zo specifiek mogelijk (bijvoorbeeld arbeidsmatige dagbesteding) beschrijft en daarbij rekening houdt met de ondersteuningsbehoefte van de leerling. Het gaat hierbij om de vraag: geven de behaalde resultaten toegang tot het beoogde vervolg?
We gaan ervan uit dat de school dit uitstroomniveau in het ontwikkelingsperspectief zo specifiek mogelijk (bijvoorbeeld arbeidsmatige dagbesteding) beschrijft en daarbij rekening houdt met de ondersteuningsbehoefte van de leerling. Het gaat hierbij om de vraag: geven de behaalde resultaten toegang tot het beoogde vervolg?
Bij het profiel vervolgonderwijs is dit wettelijk geregeld met de resultaten van de doorstroomtoets of het behaalde diploma. Bij de uitstroomprofielen dagbesteding en arbeid gaan we uit van dezelfde vraag. We verwachten dat de school streefniveaus formuleert op basis van kennis over de doelgroepen en het vervolg. Ze doet dit op de leergebieden die aansluiten bij het beoogde niveau van het vervolg en de leerling voorbereiden op wonen, participatie in de maatschappij en vrijetijdsbesteding. Dit hoeft dus niet te betekenen dat een leerling bij elk vak of ontwikkelingsgebied hetzelfde niveau heeft bereikt. De school bepaalt zelf welke ontwikkelingsgebieden leidend zijn voor het uitstroomniveau. Ze onderbouwt dit met kennis over het vervolg en eventueel het doelgroepenmodel. De inspectie verwacht wel dat de school daarbij zowel oog heeft voor het belang van basisvaardigheden en de sociale competenties.
Vanaf welk moment telt de uitstroombepaling? Is dat bij onderinstroom/leerjaar 1 (hier is het zeer lastig om meteen een passend uitstroomniveau te bepalen) of vanaf leerjaar 6 en verder?
Vanaf leerjaar 1 moet er een beoogd uitstroomniveau in het ontwikkelingsperspectief worden opgenomen. Vaak is dit voor de onderbouw so gerelateerd aan het basisaanbod dat de school aan de leerlingen aanbiedt. In de hogere leerjaren kan dit aangepast worden op basis van de ontwikkeling van de leerlingen.
Onze school heeft maar weinig uitstromers per leerjaar (<7). Dit zijn te weinig leerlingen om conclusies en trends uit op te maken. Hoe beoordeelt de inspectie de onderwijsresultaten dan?
In deze gevallen hanteren we de volgende uitgangspunten:
- Stroomt er een kleine groep leerlingen uit, in totaal 7 of minder? Dan nemen we ook de resultaten van de afgelopen 2 jaar mee in de beoordeling.
- Heeft een school 3 jaar lang heel weinig schoolverlaters (bijvoorbeeld 4 of minder)? Dan beoordelen we OR1 niet. We onderzoeken het wel. We noteren onze bevindingen en aandachtspunten in het rapport.
- De school kan proberen trends te ontdekken door naar de resultaten van uitstromers van meerdere jaren te kijken. Ook kan de school kijken naar de resultaten in de verschillende groepen.
- Ook verwachten we dat een school het wel in beeld brengt. De (kwaliteit) van de analyse onderzoeken we onder de standaard Evaluatie, verantwoording en dialoog (SKA3).
Wordt in de berekening ook meegenomen dat leerlingen in het so het uitstroomniveau behalen maar dat in het vso dit uitstroomniveau naar beneden wordt bijgesteld?
Nee, we bekijken of leerlingen aan het einde van het so het beoogde uitstroomniveau behaald hebben. Naar welke vervolgschool de leerling vervolgens gaat en of deze bestemming het niveau naar beneden bijstelt, maakt niet uit voor de beoordeling van OR1 bij de so-school.
We zien een neveneffect van deze manier van toezien: als het te lastig wordt om leeropbrengsten te behalen, passen we het uitstroomperspectief aan. Dan heb je prachtige resultaten, maar haal je niet het optimale uit de leerlingen. Is de inspectie zich daarvan bewust?
voorop stelt. Daarom kijken we nooit alleen naar cijfers, maar altijd naar het verhaal achter de cijfers. Het streven van het niveau het beste uit de leerling te willen halen, zou ook moeten blijken uit de werkwijze van de commissie voor de begeleiding (cvb) rondom het vaststellen van het ontwikkelingsperspectief en het bijstellen daarvan. Als veel ontwikkelingsperspectieven worden bijgesteld, roept dit vragen op over deze werkwijze en de mate waarin het de school lukt het onderwijs goed af te stemmen op de leerling. Daarom noemden we ook eerder, dat we verwachten dat bijstellingen in de laatste 2 jaar uitzondering zijn. Als uit de analyse van de school blijkt dat meerdere leerlingen op een school meerdere jaren boven het beoogde uitstroomperspectief uitstromen, roept dit bijvoorbeeld ook de vraag op of de school wel ambitieuze doelen stelt en of het aanbod van de school wel passend is.
Wat als leerlingen hoger scoren dan in het ontwikkelingsperspectief?
In het webinar lichten we toe waarom een hoger of lager niveau betekent dat het beoogde niveau niet is behaald. Als een leerling hoger uitstroomt, kan dat betekenen dat het ontwikkelingsperspectief niet ambitieus genoeg was. Tegelijk weten we dat inschatten moeilijk kan zijn, zeker bij een korte verblijfsduur of onverwachte groeispurten. Daarom ligt de norm op 75%. Eén op de vier leerlingen mag dus hoger of lager uitstromen. Bovendien kan het ontwikkelingsperspectief worden aangepast, maar in de laatste twee jaar verwachten we dat dit een uitzondering is.
Hoe gaat de inspectie bij de berekening van 75% om met een meervoudig advies van de doorstroomtoets?
Als er sprake is van een meervoudig advies, worden beide adviezen aangemerkt als uitstroom op het niveau dat overeenkomt met het ontwikkelingsperspectief.
Welk ontwikkelingsperspectief moet gebruikt worden? Het jaar dat leerlingen 16 worden of twee jaar voor het schoolverlaten? Of het laatste ontwikkelingsperspectief?
We kijken naar het laatst vastgestelde uitstroomperspectief.
Tot wanneer mag je het beoogde niveau nog wijzigen?
De commissie voor de begeleiding (cvb) moet ten minste jaarlijks de ontwikkeling van leerlingen evalueren. Onderdeel hiervan is de beoordeling of leerlingen zich ontwikkelen conform het ontwikkelingsperspectief en of de geboden ondersteuning effectief is. Als blijkt dat dit niet het geval is, bijvoorbeeld door onvoorziene omstandigheden of veranderingen kan de cvb het uitstroomperspectief aanpassen.
Maar als veel ontwikkelingsperspectieven worden bijgesteld in de laatste twee jaren voor uitstroom, roept dit vragen op over de werkwijze en de mate waarin de school erin slaagt het onderwijs goed af te stemmen op de leerling. Wij verwachten daarom dat bijstellingen in de laatste twee jaren een uitzondering vormen.
Worden leerlingen die tussentijds uitstromen, meegenomen in het oordeel over de resultaten?
Tussentijdse uitstroom tellen we in principe niet mee, omdat het gaat om een ongepland moment van uitstroom, bijvoorbeeld door een verhuizing of omdat een andere (v)so-school een passender aanbod kan bieden.
Geplande tussentijdse uitstroom, dus uitstroom zoals beoogd, zien we als einduitstroom en hierbij gelden dezelfde criteria. Namelijk: kunnen de leerlingen op basis van het gerealiseerde uitstroomniveau instromen op het beoogde niveau en leerjaar en behaalt 75% van de leerlingen de beoogde streefniveaus voor de kernvakken bij uitstroom.
Worden leerlingen die tijdelijk verblijven op onze school, meegenomen in het oordeel over de resultaten?
Ja: gepland tijdelijk verblijf behandelen we als einduitstroom. Omdat de ontwikkeling anders kan verlopen bij leerlingen die tijdelijk op een school verblijven (bijvoorbeeld op residentiële scholen), stellen we daarbij vragen over de toegevoegde waarde van het onderwijs voor de cognitieve ontwikkeling en sociale en maatschappelijke competenties van de leerlingen. We verwachten van scholen dat zij onderscheid maken naar verschillende doelgroepen, ontwikkelingsniveaus, de verblijfsduur van leerlingen en wat vanuit die perspectieven nodig is voor het vervolg.
Wij hebben de moeilijkste leerlingen van het samenwerkingsverband. Zij behalen de referentie/streefniveaus niet, bijvoorbeeld omdat ze lang niet naar school zijn geweest. Hoe kijkt de inspectie daarnaar?
De inspectie bekijkt of de school passende streefniveaus beoogt en behaalt bij de doelgroep. We vergelijken dus geen scholen in een samenwerkingsverband of binnen een bestuur met elkaar. De inspectie gaat er van uit dat elke school passend bij de doelgroep het volgende vaststelt: ambitieuze, maar haalbare uitstroomniveaus en daarbij horende streefniveaus voor de kernvakken. Bovendien mag de school het beoogde uitstroomniveau in de laatste twee jaar voor uitstroom wijzigen, als blijkt dat het bijvoorbeeld niet haalbaar is.
Worden nieuwkomers (korter dan 4 jaar in Nederland) als ze uitstromen meegenomen in het oordeel over de resultaten?
Ja, alle leerlingen die 1 jaar of langer op school zitten nemen we mee in het oordeel over de resultaten.
Onze school biedt meerdere leerroutes/uitstroomprofielen (bijvoorbeeld so 1–7 of vso arbeid tot en met havo). Hoe komt het oordeel voor OR1 en OR2 tot stand? Wat als één leerroute of uitstroomprofiel onvoldoende is?
We beoordelen OR1 als voldoende als minimaal 75 procent van alle schoolverlaters (ongeacht de leerroute of uitstroomprofiel):
- het benodigde uitstroomniveau voor de uitstroombestemming uit het ontwikkelingsperspectief heeft behaald
- en als gemiddeld 75% van alle schoolverlaters (ongeacht de leerroute/uitstroomprofiel) de beoogde streefniveaus op de kernvakken Nederlandse taal en rekenen-wiskunde heeft behaald.
De inspectie kijkt hierbij goed naar alle leerroutes die de school biedt. Als één leerroute of uitstroomprofiel onvoldoende is, ligt het aan het percentage/aantal leerlingen van deze leerroute op het totaal aantal leerlingen hoe we dit beoordelen. Ook kijken we per leerroute of de streefniveaus wel passend, ambitieus maar haalbaar zijn. We kijken kortom nooit alleen naar de cijfers.
Hoe worden OR1 en OR2 beoordeeld bij het uitstroomprofiel 1 tot en met 3 (doelgroepenmodel)?
Bij deze uitstroomprofielen worden de resultaten bepaald door observaties van doelen uit bijvoorbeeld Plancius-leerlijnen. In leerroute 1 zal het niet gaan om aparte leerlijnen voor taal en rekenen, maar om bijvoorbeeld leerlijnen communicatie en zelfredzaamheid. Doelen en streefniveaus zullen vaak individueel worden bepaald. De school bepaalt de resultaten door de eindresultaten van de schoolverlaters tegen de geplande doelen en streefniveaus af te zetten en vervolgens op basis van een schoolnorm vast te stellen of zij tevreden is.
Beoordeelt de inspectie bij een vso-school met uitstroomprofiel vervolgonderwijs de resultaten alleen op basis van de eindexamencijfers?
We kijken inderdaad naar eindexamencijfers (wiskunde, Nederlands). Maar we nemen ook andere informatie mee in ons bredere beeld over de cognitieve opbrengsten. Bijvoorbeeld het slagingspercentage, de gemiddelde studieduur of er grote verschillen zitten tussen uitslagen van het school- en het centraal examen. Maar ook een vak als economie zegt iets over rekenvaardigheden.
Wat als er een groot verschil zit tussen de schoolexamencijfers en de eindexamencijfers?
Dan gaan we in gesprek met de school over welke verklaringen de school hiervoor heeft. Het oordeel over de resultaten berust nooit alleen op cijfers (zie ook het antwoord op bovenstaande vraag).
Veel van onze leerlingen halen deelcertificaten over meerdere jaren, wanneer tellen ze dan mee in het oordeel over de resultaten?
De resultaten van de deelcertificaten tellen mee op het moment dat de leerling de school verlaat. Ook in dit geval verwachten we dat de school het aantal behaalde deelcertificaten afzet tegen het aantal beoogde deelcertificaten.
Welke uitstroomniveaus of minimumnormen hanteert de inspectie per leerroute? Volgt zij het Landelijke Doelgroepenmodel (LDGM)?
We kijken of de leerlingen voldoende geleerd hebben bij Nederlandse taal en rekenen-wiskunde om door te kunnen stromen naar hun vervolgbestemming.
De inspectie hanteert geen vaste landelijke minimumnormen voor uitstroomniveaus per leerroute. Uitstroomniveau betekent het niveau dat een leerling heeft behaald bij uitstromen.
Voor Nederlandse taal en rekenen-wiskunde kijkt de inspectie of leerlingen de streefniveaus hebben behaald die de school passend en ambitieus acht voor de eigen doelgroep(en), met het ontwikkelingsperspectief als uitgangspunt. Daarbij zijn de wettelijke referentieniveaus leidend voor vervolgonderwijs; voor arbeid en dagbesteding gelden slechts richtlijnen. Het LDGM kan als richtsnoer dienen, maar de school moet kritisch bepalen of deze streefniveaus ambitieus en passend genoeg zijn voor de eigen populatie en vervolgbestemming.
Als wij hogere streefniveaus stellen dan het LDGM/dan het bestuur/dan andere scholen en die halen we niet, worden we daar dan op afgerekend?
We beoordelen OR1 alleen als onvoldoende als te weinig leerlingen voldoende geleerd hebben om door te kunnen stromen naar hun vervolgbestemming. We beoordelen OR1 niet als onvoldoende als een school hogere streefniveaus stelt dan het minimaal benodigde om door te kunnen stromen en die hogere streefniveaus niet haalt, maar kan laten zien dat ze de minimaal benodigde niveaus wel haalt. Dit betekent dat de school wel een onderscheid maakt tussen wat minimaal nodig is voor doorstroom en waar de school aanvullend naar streeft. Op deze manier borgt de school ook dat het onderwijsaanbod is gericht op het minimaal te behalen voor succesvolle uitstroom, wanneer dat voor een leerling nodig is.
Hoe moet een school bepalen of een streefniveau passend is bij de populatie? En hoe vaak moeten deze streefniveaus worden geëvalueerd en aangepast?
De inspectie gaat ervan uit dat een school voldoende expertise heeft om streefniveaus op te stellen die passend zijn voor de eigen populatie. Modellen als het LDGM kunnen daarbij helpen. De inspectie heeft geen richtlijn voor het evalueren en zo nodig aanpassen van de streefniveaus, maar bekijkt wel of de regelmaat waarmee de school dit doet, aannemelijk maakt dat het streefniveau passend is.
Stel de rekenresultaten zijn erg tegenvallend, maar de taalresultaten zijn uitstekend. Is OR1 dan Onvoldoende?
Dat hangt ervan af. We bekijken eerst de resultaten op taal en rekenen afzonderlijk. Daarna middelen we de resultaten om te bekijken of 75% van alle leerlingen over beide domeinen de resultaten behaald hebben.
We kijken ook altijd naar het verhaal achter de cijfers. Bij onvoldoende resultaten kijken we ook naar de resultaten van de vorige twee jaar.
Voor vso-arbeid zijn er geen onafhankelijke toetsen taal en rekenen voor de bovenbouw. Hoe kan een school dan aantonen dat leerlingen voor taal en rekenen op het gestelde niveau uitstromen? Die leerlingen doen immers geen examens in de basisvakken.
Er is wel een aantal mogelijkheden voor scholen in het gebruik van onafhankelijke toetsen voor leerlingen met het uitstroomprofiel arbeid. Er is bijvoorbeeld de mogelijkheid om leerlingen IVIO examens te laten doen, en CITO heeft ook een volgsysteem voor leerlingen met uitstroomprofiel arbeid of dagbesteding. Dit systeem gaat door tot 20 jaar, dus kan de gehele periode worden gebruikt. Wanneer de school geen methodeonafhankelijke toetsen meer gebruikt, kan zij wel methode-toetsen inzetten en hiermee de ontwikkeling van de leerlingen in beeld brengen om inzichtelijk te maken of zij de doelen behaald hebben die de school heeft gesteld. Het gaat erom dat de school kan aantonen dat zij met haar leerlingen de niveaus heeft bereikt die zij wilde bereiken.
Opbrengsten Nederlandse taal: zijn de SE- en CE-cijfers voldoende voor de opbrengsten? Of moet hier ook een onderscheid in plaats vinden. Lezen, taalverzorging en Nederlandse taal?
Voor leerlingen die eindexamen doen, is dit inderdaad de basis voor het oordeel. Afhankelijk van de doelgroep kunnen andere domeinen ook belangrijk zijn, bijvoorbeeld mondelinge taal.
Soms gaat een leerling tegen het advies van de school in naar mbo 1. De leerling heeft dit niveau niet op school laten zien. Kijkt de inspectie dan naar het behaalde niveau op school of naar de plek waar de leerling zelf besluit naartoe te gaan?
We beoordelen de onderwijsresultaten op basis van het behaalde uitstroomniveau bij u op school, niet op basis van het instroomniveau in het vervolgonderwijs.
Wat als een cluster 3-leerling wel een ontwikkelingsperspectief uitstroom arbeid heeft, maar door beperkte arbeidsplaatsen toch naar dagbesteding uitstroomt?
In dat geval is de leerling uitgestroomd op niveau. De leerling heeft immers zijn doelen gehaald, er is alleen (helaas) geen plek.
Welke rol speelt bestendiging bij beoordeling van de onderwijsresultaten?
We bekijken voor de beoordeling van de OR-standaarden niet naar de bestendiging. We verwachten wel dat scholen waar mogelijk gegevens over de bestendiging betrekken bij hun kwaliteitszorg.
Welke minimumnormen hanteert de inspectie per leerroute voor de sociale competenties?
De inspectie hanteert geen minimumniveaus of minimumnorm die geldt voor alle (v)so-scholen per uitstroomniveau/leerroute, maar kijkt of de school passende streefniveaus beoogt en behaalt bij de doelgroep. We vragen of scholen streefniveaus voor sociale competenties op te stellen die passen bij de eisen van de verschillende vervolgbestemmingen. Ook verwachten we dat de school een schoolnorm opstelt voor het aandeel leerlingen dat deze streefniveaus behaalt. Dat kan bijvoorbeeld 75% zijn.
Beoordeelt de inspectie de sociale competenties ook aan de hand van de beoogde uitstroomperspectieven of is daar een algemene norm op te stellen? SEO lijkt vooralsnog niet te verklaren te zijn uit IQ, of uitstroomperspectief. Dat is bij de leeropbrengsten anders.
De inspectie hanteert geen algemene norm voor minimaal te behalen sociale en maatschappelijke competenties. We vragen scholen om in overleg met vervolgbestemmingen en aan de hand van de (leergebiedoverstijgende) kerndoelen ambitieuze maar haalbare streefniveaus op te stellen.
OR2: Wanneer is het herkenbaar waar het onderwijs zich op richt? Hoe uitgebreid moeten de plannen op papier zijn? Hoe zit het met de uitstroombestemming dagbesteding ten aanzien van de streefniveaus en voldoende toegerust zijn voor de vervolgbestemming?
Ook bij dagbesteding gaan we ervan uit dat de school streefniveaus hanteert en nagaat of deze bereikt worden. Ook bij dagbesteding is opbrengstgericht werken van belang en kan het ontwikkelen van bepaalde sociale competenties doorslaggevend zijn voor doorstroom naar een bepaalde dagbestedingsplek. Voor wat betreft herkenbaarheid kunt u kijken naar deze webinar over burgerschap met bijbehorende vraag en antwoord.
Hoe koppel je de vaak zeer diverse leerlingpopulatie (met allerlei vormen van leer- en gedragsproblematiek) aan streefniveaus ten aanzien van sociaal-maatschappelijke competenties voor burgerschapsontwikkeling? Streefniveaus een-op-een bepalen is onbegonnen werk.
We beoordelen de maatschappelijke competenties nog niet. Bij de sociale competenties gaan we ervan uit dat de school streefniveaus bij een leerroute kan formuleren. Bij leerroute 1 is dit vaak op individueel niveau, net als de bijbehorende onderwijsaanpak.
Er moet een streefniveau gesteld worden voor sociale en maatschappelijke competenties, maar er zijn geen referentieniveaus zoals bij Nederlandse taal en rekenen-wiskunde. Wat betekent dit voor het opstellen van je streef- en tussenniveaus. Mag je hier zelf een draai aan geven?
De school kan zelf streefniveaus opstellen. Zie ook de vraag Welke minimumnormen hanteert de inspectie per leerroute voor de sociale competenties. Bij beoordeling van de standaard ‘Zicht op ontwikkeling en begeleiding’ onderzoeken we onder andere of de school stagnaties in de ontwikkeling tijdig kan signaleren en analyseren. Dit veronderstelt dat onder andere de evaluatie van de tussenniveaus hier inzicht in bieden.
Vraag van een school met een zml-populatie: Voor OR2 brengen we de opbrengsten in kaart met de monitor uit ons volgsysteem. We analyseren op school- en groepsniveau en stellen vanuit deze analyse groepsdoelen en individuele doelen. We gebruiken geen apart instrument om de opbrengsten op sociaal-emotioneel leren in kaart te brengen. Wel gebruiken we een erkend instrument om de sociale veiligheid te meten. Is deze werkwijze voldoende voor OR2?
We verwachten dat de school de ontwikkeling van de leerling op betrouwbare en inzichtelijke wijze in beeld brengt. Het ligt hierbij voor de hand een gevalideerd instrument te gebruiken om zeker te zijn van de betrouwbaarheid. Het kan zijn dat de school voor de doelgroep van de school bestaande gevalideerde instrumenten niet passend vindt. In dat geval kan de school de ontwikkeling ook volgen op basis van bijvoorbeeld leerlijnen en heldere observatie- en registratie-afspraken. Deze gaan dan over wat geobserveerd moet worden, en wanneer en wat een leerling moet laten zien om een doel te behalen. De school moet hierbij wel onderbouwen, waarom hun werkwijze het meest betrouwbaar is en hoe dit is geborgd.
We hebben een aantal meetinstrumenten voor (G)VO gebruikt en/of onderzocht. We hebben meerdere scholen gevraagd naar hun werkwijze en voorkeuren voor meetinstrumenten. De informatie die deze instrumenten ons zouden opleveren komt, net als in ons volgsysteem, vanuit observaties. De validiteit en betrouwbaarheid worden voor de instrumenten voor (G)VO niet voldoende beoordeeld door COTAN.
Voor het in beeld brengen van de sociale en maatschappelijke competenties is het niet nodig dat het instrument COTAN-gecertificeerd is. In het gesprek met de school vragen we na hoe zij de subjectiviteit zo klein mogelijk maken (door meerdere observanten, meerdere momenten en/of context) bij het gebruik van observatielijsten.