Onderwijsresultatenmodel voortgezet onderwijs

Deze hoofdrubriek bevat 4 rubrieken:

De Inspectie van het Onderwijs beoordeelt de onderwijsresultaten van het voortgezet onderwijs met het Onderwijsresultatenmodel.

De Inspectie van het Onderwijs kijkt op verschillende manieren naar de kwaliteit van het onderwijs op middelbare scholen.
Een van die manieren is aan de hand van de onderwijsresultaten.
Waarom kijken we naar de onderwijsresultaten?
Om te weten te komen of er misschien iets aan de hand is op een school.
Heeft een school veel zittenblijvers?
Of zijn bijvoorbeeld de examenresultaten lager dan op andere scholen?
Zoiets kan allerlei oorzaken hebben en het hoeft niet altijd op problemen te wijzen.
In deze korte film leggen we uit hoe en waarom we naar de resultaten kijken.
Als inspecteur vind ik het van belang dat een school z'n uiterste best doet om het beste uit leerlingen te halen.
En dat kan door stimulerende lessen, dat kan door een goede leerlingenzorg en dat kan ook door goed rekening te houden met wat leerlingen wel en niet kunnen.
En dat betekent ook dat het niet zo heel erg is als een leerling naar een lager niveau overstapt.
Het is ook niet zo erg als een leerling 's wat lagere cijfers haalt als de school daar maar heel goed zicht op heeft.
Om onderwijsresultaten te beoordelen kijkt de Onderwijsinspectie naar de gemiddelde resultaten van alle leerlingen op een school. Zitten ze minimaal op hetzelfde niveau dat ze als advies van de basisschool meekregen?
Zijn er veel zittenblijvers in de eerste twee jaar en hoe zit dat in de laatste jaren? En wat zijn de examenresultaten?
Als je wilt weten of een school het goed doet, is het heel verleidelijk om naar de eindexamenresultaten te kijken en het daarbij te laten.
Maar zo simpel is het niet.
Neem nu bijvoorbeeld een havo met hele goeie eindexamenresultaten.
Het kan best zijn dat die havo heel streng geselecteerd heeft op leerlingen.
Als je nou een havo neemt met wat minder goeie eindexamenresultaten dan heeft die havo misschien wel heel weinig zittenblijvers.
Daarom kijken we naar verschillende onderdelen als we de resultaten beoordelen, en die onderdelen moeten in balans zijn.
Neem bijvoorbeeld Charlotte.
Zij kreeg van de basisschool het advies: vmbo-t/havo.
Op, laten we zeggen, het Regenboog College, ontdekt Charlotte in de eerste twee jaren van de brugklas wat ze echt leuk vindt: dansen en zingen.
De school heeft op de havo een cultuurprogramma met muziektheater.
Charlotte wil daar graag naartoe. Ze werkt hard en haar cijfers stijgen.
Het Regenboog College laat Charlotte toe tot drie havo.
Ze geniet van het cultuurprogramma en gaat over naar de vierde.
Maar vier havo blijkt toch best pittig.
Ze loopt het risico dat ze blijft zitten als ze niet stopt met het muziektheater.
Als ze niet wil blijven zitten, zou ze ook kunnen overstappen naar het vmbo-t maar dat is voor Charlotte geen optie omdat ze dan niet verder kan met het muziektheater en ze wil straks erg graag naar de theateropleiding.
De school denkt mee en ze mag vier havo overdoen met extra begeleiding van de school.
Twee jaar later haalt Charlotte met voldoende eindcijfers alsnog haar havo-diploma en ze kan naar de theateropleiding.
Het gaat dus om de balans van de resultaten van leerlingen.
Zittenblijven, het eindcijfer en het niveau waarop de leerling uiteindelijk belandt.
Bovendien kijken we niet naar het cijfer of de resultaten van één leerling maar gaat het om de balans van de resultaten van álle leerlingen.
Dat geeft de school ook ruimte om eigen keuzes te maken in het belang van alle leerlingen.
Bekijk je alle schoolloopbanen van Charlotte en de andere leerlingen van het Regenboog College samen dan zie je dat deze school gemiddeld genomen haar leerlingen kansen geeft.
In de bovenbouw heeft deze school relatief veel zittenblijvers.
Dat geeft een lagere score, maar leerlingen zitten hier vaak op een hoger niveau dan de basisschool adviseerde, en ze halen voldoende examencijfers.
En dat zie je terug in de onderwijsresultatenberekening van het Regenboog College.
Op het ene onderdeel worden de scores iets lager, op het andere juist hoger.
Kortom, de Onderwijsinspectie ziet erop toe dat alle leerlingen onderwijs krijgen van voldoende niveau.
Daarmee bewaken we een ondergrens. Ook vinden we het belangrijk dat scholen het beste uit hun leerlingen halen aansluitend bij de mogelijkheden van die leerlingen. De eerste indicatie hiervoor zijn de gemiddelde resultaten van alle leerlingen.
Als die niet in orde zijn, spreken we de school daarop aan zodat de school eventueel haar onderwijs kan inrichten op de behoeften van leerlingen.
Want goed onderwijs, daar hebben alle leerlingen recht op.
Meer weten? Ga naar www.onderwijsinspectie.nl.