Verschillen tussen scholen en leerlingen

De verschillen in de leerlingprestaties bij bewegen hangen vooral samen met kenmerken van leerlingen. Dat blijkt heel duidelijk uit het peilingsonderzoek. Vooral de inschatting van de eigen sportieve vaardigheden, BMI en geslacht laten een consistente en eenduidige samenhang zien met de gemeten prestaties op de onderdelen.

Barbara de Kort (voorzitter LOBO, Landelijke Overleg Lerarenopleiding Basisonderwijs): “Je ziet steeds meer ongelijkheid in onderwijskansen over de gehele linie. Dat geldt dus ook voor bewegen. Het is belangrijk dat dat ook in ons bewustzijn komt, zodat we een beleidsbeweging op gang brengen die vakoverstijgend is. Want alle disciplines hebben te maken met ongelijkheid in onderwijskansen. Daar moeten we integraal mee aan de slag.”

Inschatting eigen sportieve vaardigheden

De inschatting van de eigen sportieve vaardigheden blijkt sterk samen te hangen met de totale bewegingsvaardigheid: hoe hoger de eigen inschatting, hoe hoger de totaalscore voor bewegingsvaardigheid.  In iets mindere mate geldt dit ook voor het activiteitenni­veau van de leerling en zijn intrinsieke motivatie.

Geslacht

Ook geslacht hangt samen met verschillen in bewe­gingsvaardigheid: jongens hebben een hogere totale bewegingsvaardigheid dan meisjes.

Winona Ensink (opleidingsdocent pabo leergang bewegingsonderwijs) wijst erop dat naast een gedifferentieerd aanbod ook een gevarieerd aanbod belangrijk is: “We moeten niet alleen rekening houden met verschillen in vaardigheden, maar ook met kenmerken van leerlingen.” Ensink ziet mogelijkheden: “Je kunt de intrinsieke motivatie van een grote groep meisjes aanspreken door vaker muziek en dans aan te bieden.”

BMI en inschatting (eigen) veilig gedrag

Daarnaast hangt BMI sterk samen met verschillen in prestaties. Hoe hoger de BMI, des te lager de bewegingsvaardigheid en vice versa. Dit patroon geldt ook voor de inschatting van (het eigen) veilig gedrag: hoe hoger de zelfinschatting op veilig handelen, des te lager de totaalscore voor bewegingsvaardigheid.

Schoolkenmerken

Van de schoolkenmerken die we hebben onder­zocht, doen vooral leerkrachtkenmerken er toe. Zo heeft de inzet van een vakleerkracht voor groep 8 een positieve samenhang met de totale bewegings­vaardigheid van de leerlingen: de bewegingsvaardig­heid van leerlingen in groep 8 is hoger op scholen waar een vakleerkracht het bewegingsonderwijs in groep 8 verzorgt. Als we kijken naar de samenhang met de prestaties op de afzonderlijke onderdelen, komt deze positieve samenhang echter slechts bij drie van de in totaal 14 onderdelen terug.

De mate van ambassadeurschap van de leerkracht heeft, alleen in het speciaal basisonderwijs, een negatieve relatie met de totale bewegingsvaardigheid: hoe meer de leerkracht zich ambassadeur voelt, hoe lager de bewegingsvaardig­heid van de schoolverlaters in het speciaal basison­derwijs. Dit verband lijkt tegenstrijdig, maar wellicht draagt een leerkracht het vak juist met meer passie uit als leerlingen in vaardigheid achterblijven.

Ten slotte doet ook het schooltype ertoe: basis­schoolleerlingen hebben een hogere bewegings­vaardigheid dan leerlingen in het speciaal basisonderwijs. Deze bevinding komt overeen met onderzoeksresultaten die een relatie aantonen tussen cognitief functioneren en bewegingsvaardigheid.

Remo Mombarg (lector Bewegingsonderwijs en Jeugdsport) :“Als je wilt dat álle kinderen motorisch bekwaam worden, is dat streven het startpunt voor de visie. Nu wordt vaak de gymles als uitgangspunt genomen. Wil je echt als school bijdragen, dan is het nodig dat je andersom redeneert en steeds je doel voor ogen houdt. Namelijk dat kinderen motorisch bekwaam zijn in de huidige maatschappelijke context. Vandaaruit kun je kijken op welke manier bewegingsonderwijs daaraan kan bijdragen.”

De school van Chantal Kentin (schoolleider) heeft een integrale aanpak als het gaat om bewegingsonderwijs. Haar aanbeveling: “Benoem waarom het belangrijk is dat je zoveel inzet op bewegen, naast de lessen. Wij geven bijvoorbeeld na school een extra uur bewegingsonderwijs waar kinderen gratis aan kunnen deelnemen. Het is een kans voor ons om ouders bij bewegen te betrekken en hen te enthousiasmeren. Door goede communicatie met de ouders, versterken we het effect van dit extra lesuur.”