Uitgesproken door de inspecteur-generaal van het Onderwijs, Alida Oppers.
Beste allemaal,
Van harte welkom in DeFabrique.
En van harte welkom bij het congres over De Staat van het Onderwijs 2026.
De inspectie bestaat dit jaar 225 jaar, op dit congres staan wij stil bij deze geschiedenis.
In 1801 werd de eerste wet aangenomen die het onderwijs onder toezicht plaatste van de inspectie.
Maar geschiedenis gaat niet alleen over wetten en jaartallen – gelukkig maar.
De geschiedenis van ons onderwijs is een geschiedenis van mensen.
Van onderwijshelden, u zag ze misschien al lopen zojuist.
Zoals Samuel van Houten, Aletta Jacobs en Theo Thijssen.
Dat ons land behoort tot de top 10 van meest welvarende landen is deels gebouwd op hun verdiensten.
Maar bovenal op tientallen generaties van onderwijsgevenden die de talenten van de jongste generatie wisten te ontwikkelen.
De leerlingen en studenten.
Voor hen doen we het allemaal.
Soms hebben ze – net als Sepp - al van jongs af aan een droom.
Bij veel anderen is dat pad niet zo duidelijk.
Dan helpt het onderwijs hen die weg te vinden.
Vandaag presenteren we De Staat, met een grote hoeveelheid statistieken uit ons toezicht.
Ook in deze Staat zien we als inspectie opnieuw grote verschillen.
Allereerst tussen de sectoren.
In het basisonderwijs zijn de resultaten voor taal en rekenen redelijk stabiel.
Ze liggen weer rond het niveau van vóór de coronapandemie.
Superfijn, stappen in de goede richting.
In het voortgezet onderwijs daarentegen blijven de prestaties op leesvaardigheid, woordenschat en wiskunde dalen.
En in het voortgezet onderwijs en mbo verlaten te veel studenten hun opleiding zonder diploma.
Ook mét diploma is een derde van de mbo 2-studenten niet taalvaardig genoeg om zich te kunnen redden.
Helaas alles bij elkaar nog steeds een zorgelijk beeld, want natuurlijk hadden we allemaal graag een trendbreuk gezien.
Een ongemakkelijk inzicht uit deze Staat is dat er ook grote regionale verschillen zijn.
De plek waar een kind opgroeit, bepaalt nog te vaak welke kansen het krijgt en ook hoe de schoolloopbaan verder verloopt
Op vele momenten van de voorschool tot de positie op de arbeidsmarkt is dat het geval.
Dit is geen pleidooi voor ‘hoger is beter’.
Wij zien zowel over- als onderadvisering.
We zien ook grote regionale verschillen in de plaatsing op het mbo.
Het gaat erom dat een leerling terechtkomt op de plek die het beste past.
In het Utrechtse IJsselstein wordt in acht van de tien gevallen het schooladvies bijgesteld als de doorstroomtoets een hoger advies laat zien.
In een gemeente als Stadskanaal gebeurt dat in vier van de tien gevallen.
Terwijl bijstellen in zulke situaties wettelijk verplicht is, tenzij dat niet in het belang van de leerling is.
Dat roept de vraag op waarom het in de ene regio zo anders uitpakt dan in de andere.
Deze Staat zien we ook grote verschillen tussen de scholen zélf.
Er zijn nog steeds veel onvoldoendes, veel herstelopdrachten en op te veel scholen - ik zeg het maar zoals het is – wordt matig onderwijs gegeven.
Maar er zijn óók scholen, opleidingen en instellingen waar het lukt om de kwaliteit omhoog te brengen.
Op die plekken zien we vaak dezelfde drijvende kracht: de schoolleider.
Daarmee bedoel ik - afhankelijk van de sector - ook: de rector, opleidingsdirecteur, conrector of afdelingsleider.
Zij zijn de hefboom voor kwaliteit op scholen die het goed doen.
De schoolleider die leraren helpt hun vak goed uit te oefenen, duidelijke prioriteiten stelt en de focus houdt op onderwijskwaliteit - die maakt het verschil.
En daarom is het heel zorgelijk dat een derde van de schoolleiders juist aan de onderwijskundige taken onvoldoende toekomt.
Dat zien we ook terug in ons instellingstoezicht, waar we nog veel te vaak de kwaliteitszorg als onvoldoende moeten beoordelen.
Het verloop onder schoolleiders is bovendien fors - en dat ondermijnt de continuïteit en die is hard nodig om visie en kwaliteitsverbetering echt in de klas te laten landen.
Hoe ziet de dag van een schoolleider er anno 2026 dan te vaak uit?
Dat begint met het zoeken van vervanging voor een zieke leraar en het wegwerken van administratie, wordt onderbroken door ouders met zorgen over hun kind en gevolgd door overleg met de gemeente over praktische zaken.
Ik moet denken aan een schoolleider die vertelde uren kwijt te zijn aan het regelen van een kapot ruitje in de gymzaal.
Kostbare tijd die ook besteed had kunnen worden aan zaken die er écht toe doen: beter taalonderwijs, een goed werkend kwaliteitszorgsysteem of de ontwikkeling van het burgerschapsonderwijs.
Bij uitstek de taken die zich uitbetalen in goede lessen voor de leerlingen.
Met de blik vooruit denk ik ook aan het nieuwe curriculum.
Scholen hebben het boekje met kerndoelen inmiddels ontvangen, maar daar begint het pas.
Het nieuwe curriculum invoeren vraagt de komende jaren veel inzet van iedereen.
Met een schoolbrede aanpak onder leiding van diezelfde schoolleider.
Alleen dán bereikt het de leerlingen, voor wie we dit allemaal doen.
Onlangs was ik op een basisschool in Arnhem.
In een wijk waar veel kinderen wonen met een hoog risico op achterstanden, en toch met heel goede resultaten. We zien dat vaker, deze combinatie.
De schoolleider vertelde mij over de schoolcultuur die zij met haar team ontwikkelde: zero tolerance voor problemen uit de wijk in de school en heldere regels voor gedrag.
Zo zorgde zij voor houvast, voorspelbaarheid en een veilige omgeving voor leerlingen en leraren.
Je kon het gewoon voelen als je door de school liep.
Dat is precies waar schoolleiderschap over gaat.
Leraren vragen daar ook om: een schoolcultuur met normen die ook gehandhaafd worden.
Zet dat tegenover de constatering dat in het voortgezet onderwijs volgens die leraren ongeveer 30% van de lestijd verloren gaat, vooral door gebrek aan orde.
Dat komt neer op ongeveer twaalf van de veertig lesweken die niet effectief worden benut.
Ik vind dat een heftige statistiek.
Hoeveel winst valt daar wel niet te behalen met een schoolleider zoals die in Arnhem,
Zo zijn er heel veel voorbeelden van schoolleiders die het verschil maken.
Die hun team meenemen in een duidelijke visie op het onderwijs.
En die elke dag werken aan betere onderwijskwaliteit.
De schoolleider kan daarin zélf regie nemen.
En het bestuur heeft de verantwoordelijkheid om dat mogelijk te maken en te ondersteunen.
We zien regelmatig dat wanneer een school het oordeel ‘zeer zwak’ krijgt, de focus van de schoolleiding ineens heel scherp wordt.
Dan ontstaat er wél ruimte om prioriteiten te stellen en herstelt de school.
In het coalitieakkoord zie ik gelukkig goede aandachtspunten: met aandacht voor teamontwikkeling en een minder vrijblijvende omgang met de scholing van schoolleiders en leraren.
Beste allemaal,
U hebt het al begrepen.
Graag uw volle aandacht voor de schoolleider!
Dé hefboom voor veel verbeterpunten die we noemen in deze maar ook in de voorgaande Staten.
Want die top 10-positie van meest welvarende landen gunnen we ook aan de volgende generaties.
Het best denkbare onderwijs voor onze leerlingen en studenten.
Zo schrijven we samen verder aan de geschiedenis van ons onderwijs en daarmee van ons land.
Dank u wel.