Onbedoelde drempels weerhouden studenten van voorkeursopleiding

Studenten kiezen niet altijd de opleiding in het hoger onderwijs die eigenlijk hun voorkeur heeft, terwijl ze wel over de juiste papieren beschikken. Ze laten zich bijvoorbeeld weerhouden door de selectieprocedure, de taal of de kosten. Of aspirant-studenten zoiets als een drempel ervaren, hangt samen met hun achtergrond - zoals de opleiding van hun ouders - of met eigenschappen zoals faalangst of risicoaversie. Dat blijkt uit onderzoek door de Inspectie van het Onderwijs. Hogescholen en universiteiten zouden volgens de inspectie onbedoelde drempels waar mogelijk moeten beperken. Decanen of studieadviseurs in het mbo en het voortgezet onderwijs moeten er alert op zijn dat studenten en leerlingen zich ten onrechte kunnen laten afschrikken. 

Leerlingen voortgezet onderwijs
Beeld: ©Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Onbedoelde bijeffecten van bepaalde opleidingskenmerken

De inspectie houdt toezicht op de toegankelijkheid van het hoger onderwijs: wie gekwalificeerd is om naar het hoger onderwijs te gaan, moet ook worden toegelaten. Studenten kunnen zich echter laten weerhouden een bepaalde opleiding te kiezen door onbedoelde bijeffecten van de kenmerken van een opleiding. Die mogelijke drempels zijn nu onderzocht. Aspirant-studenten laten zich bijvoorbeeld weerhouden doordat de beoogde opleiding een selectiedag organiseert vlak voor een belangrijke toets of een examen. Ook als een opleiding in het Engels gegeven wordt, of als een opleiding extra kosten met zich meebrengt, dan kan dat voor studenten een drempel vormen.

Grootste drempels: Engels, extra kosten, timing selectieprocedure

De drie grootste drempels die studenten ervaren zijn daarmee: Engels als instructietaal, een opleiding die extra kosten vraagt, en een ongelukkige timing van de selectieprocedure. Wel verschilt de ervaren hoogte van de drempel sterk: de ene aspirant-student zou zich eerder laten weerhouden dan de ander. Dat is afhankelijk van de achtergrond en persoonlijke kenmerken van de student. Ook de omvang van de groep die andere keuzes maakt door zelfselectie verschilt. Sommige drempels hebben weinig zelfselectie tot gevolg, ook doordat bepaalde risicogroepen klein zijn. Daardoor is zelfselectie onder bijvoorbeeld faalangstige vo-leerlingen en mbo-studenten niet snel zichtbaar in instroomcijfers van een opleiding.  

Engels weerhoudt bepaalde aspirant-studenten

Als een opleiding kiest voor Engels als instructietaal, dan vormt dat onder mbo’ers vooral een drempel voor vrouwelijke studenten, voor studenten met faalangst en voor studenten met een Nederlandse achtergrond. Onder havo-leerlingen is Engels een drempel voor meisjes, voor leerlingen van wie de ouders geen wetenschappelijke opleiding hebben gevolgd, leerlingen met examenstress en voor leerlingen met een Nederlandse achtergrond. De gemiddelde vwo’er laat zich niet erg afschrikken door het Engels, al hebben faalangstige vwo’ers en vwo’ers met een Nederlandse achtergrond er iets meer last van.

Extra kosten ook drempel

Als een opleiding extra kosten vraagt, vormt dit onder mbo’ers vooral een drempel voor vrouwelijke studenten en voor studenten met faalangst. Bij vwo’ers zijn kosten met name een drempel voor de leerlingen met ouders uit de lagere-inkomensgroepen, maar ook voor leerlingen die ooit zijn blijven zitten en voor leerlingen met examenstress.

Timing van selectie selecteert onbedoeld extra

Tot slot blijkt een ongelukkige timing van de selectieprocedure een extra hoge drempel voor oudere mbo’ers, voor mbo’ers die een westerse migratieachtergrond hebben, die hbo-opgeleide ouders hebben, uit de lagere-inkomensgroepen komen of die een leenaversie hebben. De vwo’ers die bovengemiddeld last van de timing van de selectie hebben zijn de oudere leerlingen, leerlingen die liever niet lenen en leerlingen met examenstress. Ook havisten en vwo’ers met wetenschappelijk opgeleide ouders ervaren een ongelukkige timing van de selectieprocedure als een drempel. 

Aanbevelingen voor het hoger onderwijs én voor mbo en vo

De inspectie vindt het belangrijk dat instellingen in het hoger onderwijs een goede afweging maken bij het inrichten van de opleiding - voertaal, kosten - en ook bij de selectieprocedure. Het is niet altijd te voorkomen dat een keuze over de vorm van de opleiding een drempel opwerpt voor sommige aspirant-studenten. Maar de opleidingen moeten wel in overweging nemen wie wellicht wordt benadeeld bij verschillende keuzen, of de ontstane drempel nodig is, en hoe zij onbedoelde drempels kunnen minimaliseren.

Ook decanen of studieadviseurs in het mbo en het voortgezet onderwijs kunnen bijdragen aan het beperken van onbedoelde zelfselectie. Dat kan door zich bewust te zijn dat de achtergrond of de persoonlijke eigenschappen van een leerling tot zelfselectie kan leiden. Decanen of studieadviseurs kunnen extra daarop doorvragen, en wellicht dat ene duwtje geven.

Onderzoek naar zelfselectie

Het onderzoek is gehouden onder een representatieve steekproef van 2.588 leerlingen en studenten in hun laatste jaar in havo, vwo en mbo-4. Om te ontdekken wat ze beweegt om een bepaalde keuze te maken, kregen ze situatieschetsen voorgelegd waarin kenmerken van opleidingen steeds werden gevarieerd. De jongeren antwoordden bij verschillende situaties wat zij onder die omstandigheden zouden doen.

Dit is het tweede onderzoek naar zelfselectie op weg naar het hoger onderwijs, uitgevoerd naar aanleiding van de motie-Van den Hul. Het eerste onderzoek ging in op zelfselectie bij de afweging wel of niet verder te studeren na afronding van een mbo-4-opleiding.