Het Toezicht op basisvaardigheden roept soms vragen op bij scholen en besturen. Op deze pagina vindt u veelgestelde vragen over het toezicht op basisvaardigheden.
Voor onderwijsprofessionals
Vanaf schooljaar 2023-2024 neemt de inspectie OP0 mee bij de uit te voeren kwaliteitsonderzoeken. Als de inspectie gebreken constateert bij de basisvaardigheden kan een school een herstelopdracht krijgen. We geven dan aan waar het in het onderwijs aan schort en het is aan de school hoe ze dat gaan oplossen. In het schooljaar 2024-2025 geven we net als in 2023-2024 geen oordeel op deze standaard.
Het gaat erom dat u in het onderwijsaanbod rekening houdt met kenmerken van de leerlingenpopulatie. Vanzelfsprekend is het daarbij belangrijk u in beeld heeft wat voor leerlingen er op uw school zitten.
De schoolweging speelt hierbij een rol, maar het is ook van belang dat de school kenmerken in beeld heeft die de taal- en rekenvaardigheid bevorderen of juist belemmeren. Denk bijvoorbeeld aan het taalniveau waarmee leerlingen binnenkomen, het aantal leerlingen met bijzondere onderwijsbehoeften et cetera.
Bij burgerschap gaat het ook om zaken als de omgeving waarin de school staat, of het een plattelandsschool is of dat er juist sprake van grotestadsproblematiek is, of de school autochtone en allochtone leerlingen heeft of dat er juist een eenzijdige populatie is.
Ook voor het speciaal basisonderwijs zijn de referentieniveaus van kracht: 1F en 2F/1S.
In het speciaal basisonderwijs beoordeelt de inspectie of de cognitieve eindresultaten liggen op het niveau dat op grond van de kenmerken van de leerlingenpopulatie mag worden verwacht. Dit betekent dat de school kan aantonen dat de eindresultaten op de kernvakken Nederlandse taal en rekenen/wiskunde voldoen aan de door de school gestelde ambitieuze streefniveaus.
Het gaat er daarbij om dat het onderwijs bewust gepland is. Het is daarmee doelgericht, samenhangend en herkenbaar is en gaat niet alleen uit van de actualiteit. Bewust werken aan burgerschap is belangrijk omdat de school daarmee zeker weet dat het cruciale elementen aanbiedt en daarnaast inzichtelijk heeft wat de burgerschapsopdracht voor de school behelst.
Voor burgerschap is het van belang dat bestuur, schoolleiding en leraren de visie en de basiswaarden voorleven. De school als oefenplaats omvat aspecten als het schoolklimaat en pedagogisch en didactisch handelen. Daarnaast is het van belang dat er situaties voor leerlingen zijn om te kunnen oefenen. Want de hele school, en niet alleen de klas, is een oefenplaats voor burgerschap.
Doelgericht aanbod houdt in dat een school werkt met concrete leerdoelen. Deze maken duidelijk welke leerlingen wat moeten leren. Bij voorkeur is dat beschreven in waarneembaar gedrag. Zo’n leerdoel maakt duidelijk wanneer het leerdoel is bereikt.
We spreken van een doorlopende leerlijn als de leerdoelen in een logische ordening zijn geplaatst over de leerjaren (en over de schoolsoorten heen), waarbij rekening is gehouden met wat voorwaardelijk en wat volgordelijk is.
Bij samenhang denken we naast de doorlopende leerlijnen (verticale samenhang) aan samenhang tussen vakken (horizontale samenhang). Daarbij gaat het om wat je aanbiedt bij welk leergebied en op welk moment, zodat ook dit een logisch geheel is.
We verwachten dat de school een aanbod heeft voor alle 3 de basisvaardigheden en aan ons kan laten zien hoe zij de ontwikkeling van de leerlingen hierop volgt. Dat kan lang niet altijd met landelijk genormeerde toetsen, maar wel op andere manieren. Bijvoorbeeld met methodetoetsen, door leerlingen te observeren of door leerlingenwerk. Wij vragen de school zich hierover aan ons te verantwoorden.
De wet vraagt dat scholen de burgerschapscompetenties van leerlingen in kaart brengen. De inspectie treedt op dit onderdeel stimulerend op, maar we handhaven niet. Wel is het belangrijk dat scholen eraan werken om te gaan monitoren.
Er zijn uiteenlopende manieren om burgerschapscompetenties in kaart te brengen. Dat kan bijvoorbeeld met een gestandaardiseerde vragenlijst of op andere manieren (zoals een portfolio, met rubrics et cetera). Scholen kunnen dat zelf bepalen. Elke methode heeft zijn eigen kenmerken en voordelen.
Belangrijk is dat de gegevens die de school verzamelt gebruikt kunnen worden om:
a) het onderwijs te verbeteren
b) het onderwijs te laten aansluiten bij wat de leerlingen nodig hebben en
c) om verantwoording af te leggen.
Het is niet verplicht om een gevalideerd toetsinstrument te gebruiken.
We willen dat resultaten van een meting niet afhankelijk zijn van de leraar die de toets afneemt en dat ze bij herhaalde meting bij gelijkblijvende omstandigheden, gelijk zijn. Voorwaarden voor een objectieve meting zijn duidelijke leerdoelen en criteria om te bepalen of het resultaat goed genoeg is.
Het gaat er primair om dat het bestuur en de school zelf een duidelijk beeld hebben van hun leerlingenpopulatie en van de resultaten die leerlingen behalen op de verschillende onderdelen van het curriculum. Op basis hiervan kunnen ze doelen stellen en hun onderwijs bijsturen als het nodig is.
We vragen besturen en scholen om ons te laten zien hoe ze dat beeld krijgen en hoe ze de resultaten gebruiken bij hun beleid. Het is niet de bedoeling dat ze speciaal voor de inspectie documenten gaan opstellen.
De wet schrijft voor dat de school én het bestuur hun doelen evalueren, zo nodig verbeteren en zich daarover verantwoorden. Hoe ze hun kwaliteitscyclus inrichten bepalen ze zelf.
De inspectie gaat uit van de wettelijke eisen. Voor taal en rekenen zijn dat de kerndoelen (primair onderwijs, onderbouw voortgezet onderwijs en speciaal onderwijs) en de referentieniveaus. Voor primair en speciaal onderwijs gaat het om de niveaus 1F en 2F/1S, voor vmbo om 2F, voor havo om 3F en voor vwo om 3F (rekenen) en 4F (taal). We vragen aan besturen en scholen om zich te verantwoorden over hoe zij toewerken naar de referentieniveaus.
Het is belangrijk dat het bestuur en de school de ontwikkeling van leerlingen goed in beeld hebben, zodat ze kunnen zien of deze hun doelen bereiken en of het onderwijs bijgestuurd moet worden. Ze houden dit dus primair voor hun eigen onderwijs in de gaten.
De school moet een doelgericht en samenhangend curriculum hebben. Het ligt voor de hand dat het ook opgeschreven wordt, om het in de groepen/klassen vorm te kunnen geven. Bovendien kan de school zich zo verantwoorden richting belanghebbenden en de inspectie.
De inspectie schrijft niet voor dat een school coördinatoren voor (de verschillende) basisvaardigheden aanstelt. Dat mag het bestuur of de school zelf bepalen.
Veel scholen kiezen ervoor om een of meerdere personen specifieke taken te geven bij de uitwerking van hun visie en beleid, bijvoorbeeld een coördinator. Deze kan een rol spelen bij de implementatie van het beleid.
Bij de onderzoeken in het kader van Peil.onderwijs zien we dat scholen die een coördinator aanstellen voor een vakgebied daar over het algemeen betere resultaten in behalen dan andere scholen. Of dat voor uw school ook zo werkt is afhankelijk van specifieke omstandigheden, zoals het beleid, de taken van de coördinator, de omvang van de school en de leerlingpopulatie.
Het ministerie is verantwoordelijk voor het geven van subsidies. Meer informatie over subsidie en ondersteuning voor de verbetering van basisvaardigheden vindt u op Rijksoverheid.nl.
Engels is op dit moment geen basisvaardigheid binnen OP0. Wel is het onderdeel van de standaard Aanbod (OP1).
Naar aanleiding van de peil.onderwijs-onderzoeken heeft de inspectie verschillende reflectiewijzers uitgebracht die u verder kunnen helpen: