
Wat je postcode zegt over je onderwijskansen
Regionale verschillen
Marcel Klazen werkte jarenlang in verschillende onderwijssectoren, met name in het westen van het land. Sinds drie jaar is hij onderwijs- en bestuursadviseur bij scholengroep OPRON in Groningen. Die ervaring aan beide kanten van het land heeft hem geleerd hoe de regio waarin een leerling opgroeit kan doorwerken in diens schoolloopbaan. “De ene ouder zet thuis oefenprogramma's klaar voor de doorstroomtoets. De andere zegt: ‘Laat mijn kind maar lekker buiten spelen, die toetsen komen wel.’ Beide ouders willen het beste voor hun kind.”

Beeld: © Inspectie van het Onderwijs
Marcel Klazen, onderwijs- en bestuursadviseur bij scholengroep OPRON in Groningen
Zijn ervaringen sluiten aan bij De Staat van het Onderwijs 2026, waaruit blijkt dat de kansen op een bijgesteld schooladvies of doorstroom naar een hoger onderwijsniveau per regio verschillen. “Je wilt uiteindelijk correct adviseren. Een te laag advies helpt een leerling niet, maar een te hoog advies ook niet. Ouders en leerlingen denken soms: ‘Als we maar dat hoge advies hebben, dan hebben we de helft van de buit al binnen.’ Maar een schooladvies is geen diploma. Met een advies mag je beginnen op een bepaald niveau. Daarna begint het proces pas.”
“Een schooladvies is geen diploma. Met een advies mag je beginnen op een bepaald niveau. Daarna begint het proces pas.”
Regionale verschillen zie je ook buiten de klas
Volgens Marcel worden onderwijskansen niet alleen bepaald op school. Ook de cultuur waarin een leerling opgroeit en de verwachtingen van ouders spelen mee. In Noord-Nederland merkt hij vaker een terughoudende houding. ‘Doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg’, hoort hij daar regelmatig. In de Randstad zag hij juist vaker ouders die nadrukkelijk opkwamen voor het hoogst mogelijke schooladvies. Dat verschil in houding ziet Marcel ook terug in de advisering. “Ouders in het westen van het land komen op een heel andere manier op voor hun kind dan in het noorden.”
Daarnaast spelen de mogelijkheden in de regio een rol. “Vergelijk het eens met Amsterdam, waar je kunt kiezen uit de Universiteit van Amsterdam of de Vrije Universiteit Amsterdam. Maar als je in Noord-Nederland kiest voor het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en daarna naar de universiteit wilt, moet je vaak een eind reizen”, zegt Marcel.
De overstap begint vóór groep 8 afscheid neemt
Die verschillen verdwijnen niet zodra een leerling de overstap maakt naar het voortgezet onderwijs. Volgens Marcel is die overgang zelfs veel groter dan vaak wordt gedacht. “In het primair onderwijs begeleiden we leerlingen intensief. In het voortgezet onderwijs verwachten we ineens meer zelfstandigheid.” Leerlingen moeten volgens hem niet alleen wennen aan een nieuw gebouw, maar ook aan een andere manier van onderwijs. “In het primair onderwijs heb je bijna altijd dezelfde leerkracht. In het voortgezet onderwijs krijg je verschillende docenten. Zij hebben vaak een vak gestudeerd en willen vooral de inhoud daarvan overbrengen. In het primair onderwijs draait het meer om de totale ontwikkeling van een kind. Dat verschil merkt een leerling en dat onderschatten we nog steeds.”
Zo'n overgang vraagt volgens Marcel om een warme overdracht. Niet alleen de resultaten van een leerling verdienen aandacht, maar ook de kennis die leerkrachten in acht jaar over een leerling hebben opgebouwd. Hoe leert een leerling? Wat helpt bij spanning? Wanneer komt een leerling het beste tot zijn of haar recht? “Zonder relatie geen prestatie. Je moet eerst zoveel mogelijk over de leerling weten voordat je het goed over lesinhoud kunt hebben.”
“Niet alleen de resultaten van een leerling verdienen aandacht, maar ook de kennis die leerkrachten in acht jaar over een leerling hebben opgebouwd.”

Beeld: © Inspectie van het Onderwijs
Van warme overdracht naar warme samenwerking
Een voorbeeld dat Marcel meeneemt uit zijn tijd bij het samenwerkingsverband in Den Haag is de warme overdracht tussen het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs. “Er werd een grote zaal gehuurd waar iedere basisschool een eigen tafel had, bemand door de intern begeleider. Vertegenwoordigers van de middelbare scholen liepen vervolgens langs om per leerling de overstap en eventuele aandachtspunten te bespreken. Een prachtig initiatief, al vergde het veel organisatie.”
Daar bleef het niet bij. Later in het schooljaar kwamen scholen opnieuw bij elkaar. “Dan kijk je: kloppen de adviezen? Wat zien jullie nu na een jaar?” Volgens Marcel zit daarin de grootste winst. Scholen leren van elkaars ervaringen en nemen die inzichten mee naar een volgende overdracht. Het gesprek stopt niet zodra een leerling op de middelbare school begint, maar helpt scholen om hun begeleiding en advisering steeds verder te verbeteren.
“Scholen leren van elkaars ervaringen en nemen die inzichten mee naar een volgende overdracht.”
Die aanpak kun je volgens hem niet zomaar overnemen in Groningen. “Je kunt nooit alle aanpakken één op één kopiëren naar een andere situatie. In kleinere regio's zijn de lijnen vaak al kort. Soms woont een docent uit het voortgezet onderwijs in hetzelfde dorp als een leerkracht uit het primair onderwijs en kennen ze elkaar al. In de Randstad is dat veel minder vanzelfsprekend en moet je die ontmoetingen bewuster organiseren.”

Beeld: © Inspectie van het Onderwijs
Daarom kiest OPRON samen met omliggende besturen voor een vorm die past bij de regio, met themamiddagen en bijeenkomsten waarin professionals uit het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs elkaar regelmatig ontmoeten. “Door dat structureel te doen, leer je elkaar steeds beter kennen. De volgende keer weet je elkaar ook buiten de formele overdracht makkelijker te vinden.”
Kijk verder dan het schooladvies
Kansengelijkheid vraagt volgens Marcel om een brede blik op talent. “De vraag is vooral: wat versta je onder talent? Dat begint met hoe je naar kinderen kijkt.” Basisscholen kennen leerlingen vaak al acht jaar en zien daardoor meer dan alleen hun schoolprestaties. “Kwaliteiten van leerlingen hoeven niet alleen op het gebied van taal en rekenen te liggen. Ze kunnen bijvoorbeeld ook op creativiteit liggen. Leerkrachten in het primair onderwijs nemen die ‘zachte’ kant vaak heel mooi mee in hun advisering.”
“Kwaliteiten van leerlingen hoeven niet alleen op het gebied van taal en rekenen te liggen. Ze kunnen bijvoorbeeld ook op creativiteit liggen.”

Beeld: © Inspectie van het Onderwijs
Die brede blik op talent vraagt ook iets van de hele school. Welke verwachtingen leven er van leerlingen? Worden alle mogelijkheden gezien? En sluit de begeleiding aan bij wat een leerling nodig heeft? Volgens Marcel is er geen eenvoudige oplossing waarmee regionale verschillen verdwijnen. Onderwijs speelt een belangrijke rol, maar ook cultuur, bereikbaarheid, sociaaleconomische omstandigheden en het opleidingsaanbod in een regio hebben invloed. Kansengelijkheid vraagt daarom om blijvende samenwerking.
Marcel heeft tot slot een duidelijk advies voor andere schoolbesturen: “Zorg dat gezamenlijke afspraken op bestuurlijk niveau zo snel mogelijk hun weg vinden naar de mensen voor de klas. Zij máken het onderwijs en staan oog in oog met de leerlingen. Dat is het goud dat we in handen hebben. Houd dat voor ogen. Zorg dat onderwijsprofessionals met elkaar in gesprek kunnen gaan over wat iedere leerling nodig heeft om zich optimaal te ontwikkelen.”
“De mensen voor de klas máken het onderwijs en staan oog in oog met de leerlingen. Dat is het goud dat we in handen hebben.”
Leerlingen en studenten moeten een onderwijsloopbaan kunnen volgen die past bij hun mogelijkheden en talenten. In het rapport De Staat van het Onderwijs 2026 bevelen we scholen en besturen aan om na te denken over het wegenemen van drempels bij instroom en doorstroom.
Lees meer over regionale verschillen in het rapport Regionale verschillen in schoolloopbanen in het basis- en voortgezet onderwijs.

