Leonie Groenewoud dacht ooit dat ze kinderrechter zou worden. Ze studeerde rechten, werkte in het toezicht bij GGD GHOR Nederland en later volgde zij ook een studie onderwijswetenschappen. Nu is ze onderwijsinspecteur. Een stap die achteraf verrassend logisch bleek.
“Ik wilde altijd al iets betekenen voor kinderen en hun ontwikkeling. Op een gegeven moment dacht ik: wacht eens even. Ik weet veel van toezicht, heb kennis van onderwijs en weet wat goed onderwijs voor kinderen kan betekenen. Toen viel alles op zijn plek.
Ik hoef niet zelf voor de klas te staan om verschil te maken. Als inspecteur draag ik eraan bij dat scholen het beste uit hun leerlingen kunnen halen. Dat maakt dit werk voor mij ontzettend waardevol.”
Een onderzoeksdag is één grote puzzel
“We lopen niet met een checklist een school. Iedere school en iedere situatie is anders. En je wilt echt begrijpen waarom een school bepaalde keuzes maakt.
Een onderzoeksdag is één grote puzzel. Je verzamelt voortdurend informatie. Je hoort iets in een gesprek, ziet iets tijdens een lesbezoek en leest iets terug in documenten. Al die informatie leg je naast elkaar. Steeds vraag je jezelf af: hoe passen die stukjes bij elkaar? Je moet goed kunnen analyseren en zorgvuldig werken. Maar nieuwsgierigheid is misschien nog wel belangrijker.
Je moet goed luisteren, doorvragen en feiten van meningen en aannames kunnen onderscheiden. Daarbij is het belangrijk dat je niet te snel een oordeel vormt. Omdat geen onderzoek hetzelfde is, blijf je ook zelf leren.”
Mensen aan het denken zetten
“Met ons onderzoek willen we scholen ook aan het denken zetten hoe het beter kan. Dat betekent soms dat we kritisch moeten zijn. Niet iedereen is blij met onze conclusies. Zeker niet wanneer een school ervan overtuigd is dat ze het goed doet en wij daar anders over denken. Dat levert soms stevige gesprekken op.
Je moet helder kunnen uitleggen hoe je tot je oordeel bent gekomen. Je hoeft het niet altijd met elkaar eens te zijn, maar een goed gesprek zorgt vaak wel voor meer begrip. Uiteindelijk hebben we allemaal hetzelfde doel: goed onderwijs voor leerlingen.
De mooiste momenten zijn voor mij de momenten waarop je ziet dat een school echt verder is gekomen. Ik herinner me een school waar we tijdens een onderzoek kritisch waren op de kwaliteit van het onderwijs. Toen we later terugkwamen, zagen we dat het hele team ermee aan de slag was gegaan. Er waren echt kwartjes gevallen. Dan denk ik: hiervoor doe ik dit werk.”
Samen tot een goed oordeel komen
“Een oordeel vorm je nooit alleen. Je moet je conclusies goed kunnen onderbouwen. Daarom bespreken we onze bevindingen uitgebreid met collega’s. We leggen observaties naast elkaar, stellen elkaar kritische vragen en schakelen soms een collega met specifieke kennis in.
Zo komen we samen tot een oordeel waar we achter kunnen staan. Daarbij heb ik zelf veel aan mijn eerdere ervaring met toezicht. Ik heb geleerd om onafhankelijk te kijken, verschillende soorten informatie af te wegen en mijn oordeel goed te onderbouwen. Die ervaring komt me iedere dag van pas.”
Wat neem jij mee?
“Onderwijsinspecteur worden was niet iets waar ik aan het begin van mijn loopbaan aan dacht. Toch bleek mijn eerdere ervaring verrassend goed van pas te komen. Dat laat zien dat er meer wegen naar dit vak leiden.
Je hoeft geen werkervaring in het onderwijs te hebben om inspecteur te worden. Ook mensen met ervaring in bijvoorbeeld toezicht, recht, onderzoek, beleid of kwaliteitszorg kunnen veel toevoegen. Iedereen brengt eigen kennis en ervaring mee. Juist die verschillende achtergronden helpen ons om met een brede blik naar het onderwijs te kijken. Natuurlijk moet je het vak leren kennen. Daarom krijgen nieuwe inspecteurs een interne opleiding en begeleiding van ervaren collega’s.
Mijn eigen loopbaan heeft me laten inzien dat je ook vanuit een ander vakgebied iets kunt betekenen voor het onderwijs. Je neemt altijd kennis en ervaring mee die van pas kunnen komen. Juist jouw andere blik kan van waarde zijn.”