
2014-2017 | Van initiatiefwet tot wijziging van de Wet op het onderwijstoezicht
Bisschop c.s.
In februari 2014 werd door Kamerlid Bisschop een initiatiefwet tot wijziging van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) ingediend, de zogenoemde Initiatiefwet Bisschop.1 Later sloten hier ook de Kamerleden Van Meenen en Rog bij aan. In de memorie van toelichting staat dat men met het wetsvoorstel niet wil tornen aan de kerntaken van de Inspectie van het Onderwijs, namelijk naleving controleren en kwaliteit stimuleren. ‘Wel is een nieuwe duiding en vormgeving nodig. Bij het toezicht op de kwaliteit dienen de wettelijke voorschriften weer centraal te staan, in plaats van andere aspecten die niet als deugdelijkheidseisen een wettelijke basis hebben.’2
Advies van de Onderwijsraad
In het advies van de Onderwijsraad over de initiatiefwet, stelt de raad dat het begrip kwaliteit op deze wijze wordt ingeperkt tot de naleving van bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften.3 De raad acht dit niet wenselijk, omdat kwaliteit meer omvat. De raad was het wel eens met de in het wetsvoorstel voorgestelde afbakening van de controlerende en stimulerende taak van de inspectie: ‘De basiskwaliteit wordt geborgd door de naleving van wettelijke voorschriften, terwijl de algemene term «kwaliteit van het onderwijs» wordt gebruikt om de stimulerende taak van de inspectie aan te duiden.’4
Onderscheid tussen controleren en stimuleren
De gewijzigde WOT was vanaf 1 augustus 2017 leidend voor het toezicht.5 In artikel 3 is het onderscheid tussen de controlerende en stimulerende taak als volgt opgenomen: 1. Het toezien op de naleving van de bij of op grond van een onderwijswet gegeven voorschriften. 2. Het bevorderen van (de kwaliteit van) het onderwijs en bestuur.
Ook werden de kwaliteitsaspecten uit de WOT geschrapt en toegevoegd als verplichte onderdelen van het schoolplan. In het funderend onderwijs werd hiermee het schoolplan leidend bij het periodieke instellingsbezoek dat in de gewijzigde WOT is vastgelegd: ‘De inspectie bezoekt ten minste elke 4 jaar een representatief aantal van de onder een bestuur ressorterende instellingen. Bij dit periodiek instellingsbezoek verricht zij […] het onderzoek aan de hand van het schoolplan.’6
Versterking van de positie van scholen
In de Initiatiefwet Bisschop werd ook de positie van scholen ten opzichte van de inspectie versterkt. In het toezicht moest voortaan altijd worden vermeld op welke bepalingen het oordeel betrekking had. Daarbij moest een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de onderdelen van het toezicht die op deugdelijkheidseisen waren gebaseerd en de onderdelen die voortkwamen uit de stimulerende taak van de inspectie. Daarnaast konden scholen in het funderend onderwijs met het oordeel Zeer zwak bezwaar indienen en beroep stellen tegen het inspectierapport.7
Vaststelling van onderzoekskaders door ministers van OCW en EZ
Tot slot werd in de WOT opgenomen dat de minister van OCW, en die van Economische Zaken, op voordracht van de inspectie voortaan de onderzoekskaders vaststellen. Voorafgaand daaraan voert de inspectie overleg met vertegenwoordigers van het onderwijsveld en andere betrokkenen. Overleg over onderwerpen met betrekking tot de vrijheid van inrichting wordt in ieder geval gevoerd met de erkende richtingen.8
1 Kamerstukken II, 2013/14, 33 862, nr. 2.
2 Citaat van pagina 14 van: Kamerstukken II, 2013/14, 33 862, nr. 3.
3 Onderwijsraad (2014, 22 december). Advies inzake het Voorstel van wet van de leden Bisschop, Van Meenen en Rog tot wijziging van diverse sectorwetten en de WOT in verband met een doeltreffender regeling van het onderwijstoezicht (brief aan de Tweede Kamer). Onderwijsraad.
4 Citaat van pagina 15 van: Kamerstukken II, 2013/14.
5 Wet op het onderwijstoezicht (vigerend 1/8/2017).
6 Citaat van pagina 16 van: Kamerstukken II, 2013/14, 33 862, nr. 3.
7 Artikel 13 van de Wet op het onderwijstoezicht (vigerend 1/8/2017).
8 Artikel 13 van de Wet op het onderwijstoezicht (vigerend 1/8/2017).