
2010 | Wet Goed onderwijs, goed bestuur
Kabinet-Balkenende IV
De discussie die in 2005 begon met de Governance-brief, mondde uit in de zogenoemde Wet goed onderwijs, goed bestuur.1 De wet is in september 2010 van kracht geworden. De wet leidde tot wijzigingen in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs, en regelde in essentie 2 zaken:
- Goed onderwijs, als eerste het wettelijk vastleggen van de eisen voor de minimumkwaliteit van het onderwijs op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs. Het gaat om nadere deugdelijkheidseisen, de bekostigingsvoorwaarden of -voorschriften.
- Goed bestuur, het tweede deel van de wet regelt de structuur van het bestuur. (a) De minister van OCW kreeg de mogelijkheid een aanwijzing te geven in het geval er sprake is van bestuurlijk wanbeheer. (b) Het principe van scheiding van de functies van intern toezicht en bestuur werden een bekostigingsvoorwaarde. (c) Er werden sectorcodes ontwikkeld voor goed bestuur.
Voor de Inspectie van het Onderwijs was het van groot belang dat de deugdelijkheidseisen door deze wet in de sectorwetten kwamen. Op deze manier kreeg de inspectie de bevoegdheid om ook bij deze wettelijke voorschriften handhavend op te treden, wat de interventiemogelijkheden verruimde bij tekortschieten. Ook was de wet een belangrijke ontwikkelstap in de versterking van de bestuursgerichte component in het toezicht. Voor situaties waarin besturen mogelijk door het ijs zakten, ontwikkelde de inspectie het onderzoek naar bestuurlijk handelen dat voorwaardelijk was voor de minister van OCW om een mogelijke maatregel te treffen.2
1 Kamerstukken II, 2008/09, 31 828, nr. 3.
2 Smeets, G., & Verkroost, J. J. H. (2011). Selectief en slagvaardig: Werken met de WOT (2000-2010). Inspectie van het Onderwijs.