
2009-2012 | Van wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het onderwijstoezicht
Ministerie van OCW
In november 2009 werd een wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet op het onderwijstoezicht ingediend. Door een kabinetswisseling werd de wijziging feitelijk pas in 2012 van kracht, maar werd deels al op voorhand toegepast.1
De wetswijziging diende 2 doelen: de vermindering van de toezichtlast voor de scholen en een vergroting van de effectiviteit van het toezicht door de Inspectie van het Onderwijs. Beide doelen werden voor een belangrijk deel gerealiseerd door de risicogerichte benadering. ‘In plaats van periodiek alle scholen op een uniforme manier te onderzoeken, past de inspectie een systematiek van jaarlijkse risicoanalyse toe. […] Als de risicoanalyse vervolgens aanleiding geeft tot vermoedens van tekortschietende kwaliteit of naleving, wordt nader onderzoek uitgevoerd.’2 Door deze benadering is de inspectie minder tijd kwijt aan toezicht op scholen die het goed doen. De vrijkomende tijd kon volgens de memorie van toelichting worden ingezet voor een intensiever toezicht op scholen met (mogelijke) tekortkomingen en bijvoorbeeld voor themaonderzoek.
Het stimulerend toezicht verdwijnt niet: ‘De inspectie blijft niet alleen bevorderen dat scholen met tekortkomingen op het gebied van kwaliteit of de naleving van wettelijke voorschriften, deze tekortkomingen opheffen, maar ook dat scholen die voldoende presteren, zich inspannen om te blijven voldoen […] en om zich verder te verbeteren.’3
Besturen aanspreken op verantwoordelijkheid
In het wetsvoorstel wordt ook geregeld dat het toezicht wordt gebaseerd op de verantwoordingsdocumenten, in het bijzonder het jaarverslag dat op bestuursniveau wordt gemaakt. Besturen konden hierdoor door de inspectie nadrukkelijker worden aangesproken op de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs op hun scholen. Hiermee was in 2008 bij het opstellen van de richtlijnen voor de jaarverslaggeving rekening gehouden. In de richtlijn staat dat het jaarverslag, voor zover van toepassing, ten minste aandacht dient ‘…te besteden aan zaken met een behoorlijke personele betekenis, onderwijsprestaties, onderwijskundige en onderwijsprogrammatische zaken, ontwikkelingen als gevolg van de interne en externe kwaliteitszorg, ontwikkelingen bij of in de relatie met verbonden partijen (waaronder samenwerkingsverbanden), governance ontwikkelingen, zaken met een politieke (overheidsprioriteiten) of maatschappelijke impact, over het gevoerde beleid gericht op beheersing van uitgaven inzake uitkeringen na ontslag en de afhandeling van klachten.’4
Toezicht op financiële rechtmatigheid
Wat betreft het geïntegreerd toezicht regelde de wetswijziging dat de afdeling Rekenschap van de Auditdienst en een deel van de Afdeling Financiën en Analyse van Centrale Financiën Instellingen, onderdeel werden van de inspectie. Per 1 september 2008 waren de bevoegdheden die de inspectie in verband met deze integratie nodig had, al gemandateerd en met de wetswijziging werd de nieuwe taak van de inspectie wettelijk geregeld: toezicht houden op de financiële rechtmatigheid van de bekostigde onderwijsinstellingen en op hun accountants.
Opleggen van bestuurlijke sancties
De laatste wijziging betreft de mandatering, er is ‘…een grondslag opgenomen voor een algemene maatregel van bestuur, waarin wordt geregeld in welke gevallen door de minister mandaat kan worden verleend aan de inspectie voor het opleggen van bestuurlijke sancties. Tevens wordt een grondslag opgenomen voor het mandateren aan de inspectie van andere besluiten, zoals het nemen van de beslissing op bezwaar, ingediend tegen een sanctiemaatregel opgelegd door de inspectie.’5
1 Wet van 2 februari 2012 tot wijziging van de Wet op het onderwijstoezicht (Stb. 2012, 118).
2 Citaat van pagina 3 van: Kamerstukken II, 2009/10, 32 193, nr. 3.
3 Citaat van pagina 3 van: Kamerstukken II, 2009/10, 32 193, nr. 3.
4 Citaat van nr. 403 van: Raad voor de Jaarverslaggeving (2011). Richtlijn voor de jaarverslaggeving 660 (RJ660). Wolters Kluwer.
5 Citaat van pagina 6 van: Kamerstukken II, 2009/10, 32 193, nr. 3.