
2004 | Ervaringen met het vernieuwde onderwijstoezicht
SCO-Kohnstamm Instituut
In 2004 vond, vooruitlopend op de evaluatie van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) in 2007, een onderzoek plaats dat een eerste inzicht moest bieden in de realisatie van de wet. In het onderzoek worden nog geen definitieve uitspraken gedaan, het ging om de eerste ervaringen van scholen en instellingen:
- Het werd duidelijk dat het proportionaliteitsbeginsel door het onderwijsveld breed werd onderschreven, maar dat de toepassing nog het nodige te wensen overliet. De Inspectie van het Onderwijs ging nog sterk gestandaardiseerd te werk, waardoor een inspectieonderzoek als vrij belastend werd ervaren.
- Over de stimulerende functie waren de scholen redelijk tevreden. Het onderwijsveld onderschreef de gedachte van de WOT dat kwaliteit bevorderen en bewaken goed samen kan gaan. Externe deskundigen riepen wel de principiële vraag op of stimuleren wel tot het takenpakket van de inspectie kan of mag behoren.
- Met de inhoud van de toezichtkaders hadden de meeste scholen weinig moeite. Over het algemeen vond men het ‘de goede indicatoren’ voor de onderwijskwaliteit. Er was echter behoefte aan meer duidelijkheid over de beoordelingswijze, inclusief de verschillende niveaus (domeinen, kwaliteitsaspecten en indicatoren), en over de toepassing van de beslisregels.1
In het onderzoek werd gesteld dat op een aantal punten verdere verbeteringen wenselijk waren. Aangegeven werd ook dat de inspectie op onderdelen daar al mee bezig was, omdat ze zelf ook al had geconstateerd dat de nieuwe werkwijze hier en daar nog problemen opleverde. Zo zijn naar aanleiding van deze tussenevaluatie de toezichtkaders aangepast. De Toezichtkaders 2005 waren een herziening met een aantal kernindicatoren.
1 Emmelot, Y., Karsten, S., Ledoux, G., & Vermeulen, A. (2004). Ervaringen met het vernieuwde onderwijstoezicht (SCO-rapport 707, projectnummer 44413). SCO-Kohnstamm Instituut van de Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen, Universiteit van Amsterdam.