
2001 | Kaderstellende visie op toezicht
Kabinet-Kok II
In juni 2001 presenteerde het kabinet-Kok II de eerste Kaderstellende visie op toezicht.1 De visie gaf de kaders voor de positionering en inrichting van het toezicht op rijksniveau. Toezicht werd gedefinieerd als het verzamelen van informatie over de vraag of een handeling of zaak voldoet aan de daaraan gestelde eisen, het zich daarna vormen van een oordeel daarover en het eventueel naar aanleiding daarvan interveniëren.
Bovendien werd gesteld dat toezicht onafhankelijk, transparant en professioneel moet zijn:
- Onafhankelijk: toezichthouders opereren weliswaar onder ministeriële verantwoordelijkheid, maar dienen hun werk onafhankelijk uit te kunnen voeren.
- Transparant: toezichthouders maken nut en noodzaak inzichtelijk, evenals de wijze waarop de onafhankelijkheid is gewaarborgd, de keuzes, de bevindingen en de resultaten van het toezicht.
- Professioneel: toezichthouders geven blijk van een hoge graad van professionaliteit.
Wat de Inspectie van het Onderwijs betreft, waren de eerste 2 kenmerken vastgelegd in de Wet op het onderwijstoezicht die in 2002 van kracht werd. De (verdere) professionalisering uitte zich in het systematisch beoordelen van individuele scholen, wat steeds belangrijker werd gezien de toenemende nadruk op het openbaar maken van de inspectierapporten.2
1 Kamerstukken II, 2000/01, 27 831, nr. 1.
2 Smeets, G., & Verkroost, J. J. H. (2011). Selectief en slagvaardig: Werken met de WOT (2000-2010). Inspectie van het Onderwijs.