2000-2002 | Van wetsontwerp naar Wet op het onderwijstoezicht

Ministerie van OCW

Over het gedachtegoed dat in de nota Variëteit en Waarborg werd gepresenteerd, is een heftige strijd gevoerd met de Onderwijsraad en de Raad van State. De strijd spitste zich toe op de vraag in hoeverre de nieuw voorgestelde werkwijze voor de Inspectie van het Onderwijs verenigbaar was met de vrijheid van onderwijs uit artikel 23 van de Grondwet.1 De strijd is beslecht door de toevoeging van het stimulerend toezicht, als aanvulling op het nalevingstoezicht op de deugdelijkheidseisen. Het stimulerend toezicht richt zich op de kwaliteitsaspecten van individuele scholen. Stimulerend toezicht had de inspectie altijd al uitgeoefend; het was nooit als strijdig beschouwd met de vrijheid van onderwijs.2

In september 2000 werd het wetsontwerp voor de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) ingediend. Na het doorvoeren van enkele wijzigingen werd de wet 2 jaar later van kracht. 
In de memorie van toelichting van de WOT3 werd uitgebreid aandacht besteed aan het proportionaliteitsbeginsel, dat betrekking heeft op 3 punten:

  1. De frequentie van de periodieke kwaliteitsonderzoeken. De inspectie zal zich vooral inzetten voor instellingen die dat ook nodig hebben.
  2. De intensiteit van het kwaliteitsonderzoek. De inspectie zal volstaan met een globaal onderzoek, zolang zij geen aanwijzingen krijgt dat er sprake is van tekortkomingen.
  3. De wijze van gegevensverzameling. Als de instelling zelf regelmatig de kwaliteit evalueert, zal de inspectie eigen onderzoek nalaten.

Een ander belangrijk uitgangspunt van de WOT was de openbaarmaking van het inspectieoordeel. In de memorie van toelichting werd gesteld dat dit aansloot bij de publieke verantwoording over de kwaliteit van het onderwijs, als aanvulling op de vergroting van de autonomie van de instellingen.

1 Elte, R., & Scholtes, E. (2001). 1990-2000 uit de luwte: Over strategische veranderingen in en rond de onderwijsinspectie. Inspectie van het Onderwijs.

2 Kamerstukken II, 1999/00, 26 572, nr. 3.

3 Kamerstukken II, 2000/01, 27 783, nr. 3.