Tweedegraads lerarenopleidingen hoger beroepsonderwijs (hbo)

Deze factsheet geeft voornamelijk informatie over het bekostigde onderwijs. De indicatoren ‘aanbod van opleidingen’, ‘aanraden’, ‘tevredenheid over docenten’ en ‘onderwijskwaliteit’ geven ook informatie over het niet-bekostigd onderwijs.

Gediplomeerden van een 2e graads lerarenopleiding zijn bevoegd voor de eerste drie leerjaren van het voortgezet onderwijs voor het vak dat ze gevolgd hebben. Met een 2e graads bevoegdheid mag een docent lesgeven aan:

  • de eerste drie leerjaren van havo en vwo;
  • het vmbo;
  • het beroepsonderwijs en volwasseneneducatie;
  • het praktijk onderwijs.

Zie voor meer informatie: Welke onderwijsbevoegdheden zijn er?

Samenvatting en conclusies

Met 190 hbo- bacheloropleidingen vormen de tweedegraads lerarenopleidingen de grootste subsector in de sector Onderwijs. Uitgesplitst naar voltijd- en deeltijdvarianten zijn er 383 opleidingsvarianten, waarvan bijna de helft uit bekostigde deeltijdopleidingen bestaat. Het aantal opleidingen was voorheen nog groter: in bijna tien jaar tijd is het aantal bekostigde deeltijdopleidingen gehalveerd. Het aantal voltijdstudenten is in de afgelopen jaren geleidelijk gegroeid, terwijl het aantal deeltijdstudenten is afgenomen.

De tweedegraadsopleidingen hebben in de afgelopen jaren hard gewerkt aan de invoering van kennisbases en gezamenlijke landelijke eindtoetsen voor de vakkennis. Om de aandacht voor het beroepsonderwijs te vergroten werken de opleidingen aan extra aandacht voor het lesgeven in het vmbo en mbo binnen het curriculum. Bij alle bekostigde lerarenopleidingen kunnen studenten die in 2016/2017 aan hun vierde studiejaar beginnen, zich specialiseren in (de onderbouw van) havo/vwo of voor het vmbo/mbo door dit als afstudeerrichting te kiezen.

Onderwijskwaliteit

Van de recent geaccrediteerde tweedegraads lerarenopleidingen is bijna 20 procent als ‘goed’ beoordeeld en de overige 80 procent als ‘voldoende’. De deelindicator ‘beoogde eindkwalificaties’ werd bij meer dan twee derde en de deelindicator ‘gerealiseerde eindkwalificaties’ bij een vijfde van de opleidingen als ‘goed’ beoordeeld.

Uit de visitatierapporten komt een positief beeld naar voren, zo concludeert de NVAO. De opleidingen hebben veel in gang gezet sinds de vorige visitatieronde, met al zichtbare resultaten. Voorbeelden daarvan zijn het invoeren van een onderzoekslijn, het aanscherpen van de beoordelingscriteria en het trainen van assessoren, versterking van de studieloopbaanoriëntatie en het praktijkleren en een meer uitgesproken internationale oriëntatie. Onderwerpen die nog voor verbetering vatbaar zijn, zijn het studiesucces en de taalbeheersing van de studenten, het binnenhalen van expertise op het gebied van beroepsonderwijs en de kwaliteit van stages op stagescholen die niet behoren tot een erkend partnerschap ‘Opleiden in de School’.

Tevredenheid van studenten en afgestudeerden

Het percentage studenten dat de opleiding aan anderen zou aanraden, neemt jaarlijks toe. Deeltijdstudenten in niet-bekostigde tweedegraads lerarenopleidingen zijn in vergelijking met de studenten uit bekostigde voltijd- en deeltijdopleidingen het meest tevreden. In 2016 zou 82 procent van studenten uit niet-bekostigde opleidingen de opleiding aanraden.

Uit onderzoek van de inspectie blijkt verder dat 75 procent van de afgestudeerden van bekostigde tweedegraads-lerarenopleidingen hbo de opleiding zou aanraden.

Studenten in de voltijdopleidingen zijn tevredener dan deeltijdstudenten over de praktijkgerichtheid van de opleiding en het contact met de beroepspraktijk. Van de afgestudeerden is ongeveer 60 procent tevreden over de basis die de opleiding biedt voor zowel de start op de arbeidsmarkt als de verdere ontwikkeling op de arbeidsmarkt, zo blijkt uit analyses van ROA-data.

Van de afgestudeerden die meededen met onderzoek van de inspectie voelt ruim de helft zich door de lerarenopleiding voldoende voorbereid op lesgeven in de onderbouw van het havo/vwo of het vmbo, slechts vier van de tien afgestudeerden zijn tevreden over de voorbereiding op het mbo. Daarbij is van belang te bedenken dat de afgestudeerden die meededen aan het onderzoek nog niet hebben kunnen profiteren van de ingezette maatregelen om de voorbereiding op het beroepsonderwijs te verbeteren. Met ingang van 2016-2017 heeft de eerste lichting voltijdstudenten kunnen kiezen voor de afstudeerrichting beroepsonderwijs in hun vierde studiejaar.

Veel afgestudeerden van tweedegraads opleidingen hbo zijn over het algemeen tevreden over de vakinhoud en de vakdidactische voorbereiding die ze krijgen, en eveneens over de voorbereiding op een aantal basale pedagogisch-didactische vaardigheden. Kritiek is er op de voorbereiding op differentiatievaardigheden.

De tevredenheid over de docenten neemt bij studenten jaarlijks toe. De studenten zijn met name positief over de inhoudelijke kennis van de docenten. Uit inspectieonderzoek onder afgestudeerden blijkt dat 80 procent van de afgestudeerden tevreden is over de theoretische kennis van docenten aan tweedegraads opleidingen. De tevredenheid van afgestudeerden over de praktische kennis van docenten is een stuk lager: dat geldt vooral voor de tevredenheid over de praktische kennis die docenten hebben van het mbo-werkveld. Zoals gezegd werken opleiding aan verbetering van de voorbereiding op het beroepsonderwijs, de kennis en ervaring van docenten over het beroepsonderwijs is daarbij een punt van aandacht.

De kansen voor een baan op niveau liggen ruim boven de 90 procent.

Start, tijdens- en na de studie

Ruim 60 procent van de instroom van 8.300 studenten in 2015 in de tweedegraads lerarenopleidingen bestaat uit studenten die al eerder in het hoger onderwijs hebben gestudeerd. Bijna de helft hiervan komt van een andere opleiding in de sector onderwijs. Het percentage voltijdstudenten met een niet-westerse achtergrond is hoger dan in andere opleidingen in de sector Onderwijs (21%). 

De uitval uit de opleiding van studenten die in 2014 aan een tweedegraads lerarenopleiding zijn begonnen, bedraagt na een jaar in totaal 49 procent.  Een verklaring daarvoor is volgens de opleidingen dat niet alleen studenten starten met de opleiding die bewust kiezen voor het leraarschap, maar ook studenten die kiezen voor het vakgebied zelf. Tijdens stages die al vanaf het eerste leerjaar centraal staan, komen deze studenten er soms achter dat het leraarschap, het beroep, niet bij ze past.

Bijna de helft van deze uitgevallen studenten is gestopt met studeren in het hoger onderwijs.  Het percentage studenten van de tweedegraads-lerarenopleidingen dat na een jaar een andere opleiding kiest, is in 2014 ruim 25 procent en daarmee 6 procentpunten hoger dan in het totale hbo onderwijs dat jaar. Twee derde deel van de studiewisselaars kiest voor een opleiding buiten de sector Onderwijs, een derde deel gaat een andere opleiding doen binnen deze sector, bijvoorbeeld een pabo-opleiding. De vooropleiding speelt daarbij een rol: vrijwel alle studenten met een vwo- of havo-vooropleiding die na een jaar van opleiding veranderen, kiezen voor een opleiding buiten de sector Onderwijs.

Het diplomarendement van de studenten die na een jaar studie hun opleiding vervolgen - en dus niet zijn geswitcht of uitgevallen - , bedraagt vijf jaar daarna 35 procent.  Dit is laag vergeleken met het totale hoger beroepsonderwijs, waar het diplomarendement 60 procent is. Studiesucces en rendementsverbetering zijn thema’s die op de agenda van de lerarenopleidingen staan. Er wordt met name nagedacht over maatregelen om het studiesucces van mbo’ers en studenten met een niet-westerse achtergrond te verhogen. In 2014 werden er 3.250 diploma’s van de tweedegraads lerarenopleidingen uitgereikt. Dit aantal is al enkele jaren ongeveer hetzelfde. 

De tweedegraads lerarenopleidingen hbo

De opleidingen in de subsector tweedegraads lerarenopleidingen zijn allen hbo-bacheloropleidingen. Er zijn in 2015 in totaal 190 opleidingen (instelling-opleidingscombinatie).

Als we deze opleidingen uitsplitsen naar voltijd- en deeltijdvarianten dan komen we tot een aanbod van 383 opleidingsvarianten. Dat maakt deze subsector tot de grootste binnen de sector Onderwijs. Ook als we het aantal verschillende opleidingen bekijken, dan is deze subsector de grootste.

De opsplitsing naar voltijd- en deeltijdvarianten laat zien dat de bekostigde deeltijdvariant het meest voorkomt: 183 opleidingsvarianten. De volgende meest voorkomende variant is, bekostigde voltijdopleidingen. In 2015 is bijna een op de acht opleidingsvarianten een niet-bekostigde tweedegraads-lerarenopleiding in deeltijdvariant.

Figuur B1: Aantal opleidingsvarianten (brin-isat, voltijd en deeltijd apart) van tweedegraadslerarenopleidingen hbo, naar bekostigd en niet-bekostigd, voltijd- en deeltijdvarianten, 2015

Figuur B1: Aantal opleidingsvarianten (brin-isat, voltijd en deeltijd apart) van tweedegraadslerarenopleidingen hbo, naar bekostigd en niet-bekostigd, voltijd- en deeltijdvarianten, 2015
niet-bekostigd deeltijd48
bekostigd voltijd152
bekostigd deeltijd183
Bron: Inspectie van het Onderwijs, 2016 op basis van CROHO Brontabel als csv (75 bytes)

Het aantal bekostigde deeltijd-opleidingsvarianten is tussen 2006 en 2011 fors afgenomen van 373 tot 194 (zie figuur B2). Na 2011 daalt dit aantal geleidelijk verder tot 183 bekostigde deeltijd-opleidingsvarianten in 2015. De daling bij de bekostigde voltijd opleidingsvarianten is minder sterk, namelijk een afname van 39. Na 2011 is dit stabiel.

In 2015 zijn er geen voltijd niet-bekostigde tweedegraads-lerarenopleidingen meer. Tegelijkertijd zien we bij de deeltijd niet-bekostigde opleidingsvarianten in het laatste jaar een toename van 39 in 2014 tot 48 in 2015. Overigens treffen we van alle groepen opleidingen binnen de sector Onderwijs de meeste niet-bekostigde opleidingen aan bij de tweedegraads lerarenopleidingen.

Figuur B2: Aantal opleidingsvarianten van tweedegraads- lerarenopleidingen hbo, naar bekostigd en niet-bekostigd, voltijd- en deeltijdvarianten, 2006-2015

Figuur B2: Aantal opleidingsvarianten van tweedegraads- lerarenopleidingen hbo, naar bekostigd en niet-bekostigd, voltijd- en deeltijdvarianten, 2006-2015
bekostigd deeltijdbekostigd voltijdniet-bekostigd deeltijdniet-bekostigd voltijd
20063731915738
20073491823919
20083351783616
20092811763616
20102691763616
20111941553616
20121951563916
20131831513916
20141841523916
201518315248
Bron: Inspectie van het Onderwijs, 2016 op basis van CROHO Brontabel als csv (284 bytes)

Het aanbod binnen de verschillende subsubsectoren bij de tweedegraads-lerarenopleidingen laat over de laatste vijf jaar een redelijk stabiel beeld zien, de beroepsgerichte vakken uitgezonderd. Tussen 2012 en 2013 neemt het aanbod in de beroepsgerichte vakken af van 55 naar 44. Dit is een gevolg van de herschikking van de opleidingen in de sector Techniek. De lerarenopleidingen voor de beroepsgerichte vakken vallen onder de sector Techniek, maar zijn hier meegenomen omdat zij leiden tot een onderwijsbevoegdheid. Zie de bijlage over de indeling van opleidingen. Het aantal lerarenopleidingen gericht op maatschappijvakken is het grootste. Dit aantal neemt in 2015 enigszins toe tot 61 instelling-opleidingscombinaties (brin-isats).

Figuur B3: Aantal bekostigde en niet-bekostigde tweedegraads- lerarenopleidingen hbo (brin-isat, voltijd en deeltijd samengenomen) naar subsubsector, 2011-2015

Figuur B3: Aantal bekostigde en niet-bekostigde tweedegraads- lerarenopleidingen hbo (brin-isat, voltijd en deeltijd samengenomen) naar subsubsector, 2011-2015
maatschappijberoepsgerichttalenexactgroen
2011585443381
2012595544381
2013584444381
2014584544381
2015614644381
Bron: Inspectie van het Onderwijs, 2016 op basis van CROHO Brontabel als csv (148 bytes)

Inschrijvingen aan de tweedegraads opleidingen

Het aantal ingeschreven studenten aan de bekostigde tweedegraads lerarenopleidingen is in de afgelopen jaren licht toegenomen. In 2015 is het aantal studenten ten opzichte van 2011 met 5 procent gegroeid naar 23.290 studenten. Het aantal voltijdstudenten is in de genoemde periode met meer dan 10 procent gegroeid naar 14.338 inschrijvingen in 2015, terwijl het aantal deeltijdstudenten met bijna 4 procent is afgenomen tot 8.952 inschrijvingen in 2015. Het percentage inschrijvingen in gehele sector Onderwijs is tussen 2011 en 2015 met 14 procent afgenomen. In het totale hoger onderwijs is het aantal studenten in die periode juist gegroeid (22%).

Het aantal nieuwe studenten dat jaarlijks in de studies instroomt, wordt in het hoofdstuk ‘starten met de studie’ besproken.

Figuur B4: Aantal inschrijvingen per jaar in de tweedegraads lerarenopleidingen hbo naar voltijd- en deeltijdopleidingsvarianten, 2011-2015

Figuur B4: Aantal inschrijvingen per jaar in de tweedegraads lerarenopleidingen hbo naar voltijd- en deeltijdopleidingsvarianten, 2011-2015
deeltijdvoltijd
2011128649306
2012126548593
2013137668794
2014143358762
2015143388952
Bron: BRON-HO; DUO, bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (104 bytes)

Ontwikkelingen binnen de tweedegraads lerarenopleidingen hbo

Kennisbases en -toetsen

De tweedegraads lerarenopleidingen hbo hebben de afgelopen jaren gezamenlijke vakinhoudelijke en generieke kennisbases vastgesteld, wat heeft geleid tot meer afstemming tussen de opleidingen. Er zijn landelijke eindtoetsen voor een aantal vakken ingevoerd, Voor vakken waarvoor geen landelijke kennistoets bestaat vindt peer review plaats. Dit zijn waardevolle ontwikkelingen. In het studiejaar 2015-2016 hebben drie en een half duizend studenten deelgenomen aan een landelijke kennistoets. De resultaten op de eindtoetsen geven een wisselend beeld. De vooropleiding van studenten speelt mee in de slaagkans en de hoogte van het behaalde cijfer: vooral studenten met een mbo-vooropleiding blijven achter. De Raad voor de Kwaliteitsborging ziet verschillen tussen opleidingen: nog niet overal is de voorbereiding optimaal, de toets heeft niet overal een voldoende herkenbare plaats in het onderwijs- en toetsprogramma en er wordt door vakdocenten soms nog verschillend gedacht over de te hanteren norm. De voorkennis van studenten is bij de start van de studie zeer divers. De Raad roept op om geen concessies te doen aan de vereiste kennis en te reflecteren op de huidige instroomvereisten bij de tweedegraads lerarenopleidingen. Opleidingen zouden daarnaast goede voorbeelden moeten delen.

Opleiden in de school

Scholen en lerarenopleidingen werken samen om aankomende docenten op te leiden en al werkzame leraren verder te professionaliseren. Dat gebeurt onder meer binnen samenwerkingsverbanden ‘Opleiden in de school’. In de afgelopen periode is het aantal (aspirant) opleidingsscholen uitgebreid, ook in het mbo.

Voorbereiding op beroepsonderwijs

Het mbo en het vmbo krijgen van oudsher minder aandacht bij de tweedegraadslerarenopleidingen dan de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Om de aandacht voor het beroepsonderwijs te vergroten werken de tweedegraadslerarenopleidingen voor de algemene vakken – zoals Nederlands of wiskunde - aan extra aandacht voor het lesgeven in het vmbo en mbo binnen het curriculum. Dit gebeurt bijvoorbeeld door vanaf de start van de studie studenten kennis te laten maken met het brede tweedegraads gebied, door bij didactiek ook aandacht te besteden aan de specifieke beroepsgerichte didactiek etc. Daarbij zijn er verschillen tussen vakken: bij het vak economie bijvoorbeeld speelt het beroepsonderwijs al veel langer een belangrijke rol in de opleiding. De tweedegraads lerarenopleidingen hebben daarnaast twee afstudeerrichtingen ontwikkeld, één voor het algemeen vormend onderwijs in de onderbouw van havo/vwo en de ander voor het beroepsgericht onderwijs (vmbo/mbo). Ook de samenwerking met scholen voor vmbo en mbo is versterkt.

Maatwerk bieden

Er is in de afgelopen jaren meer variatie aangebracht in opleidingsmogelijkheden. Zo kunnen studenten bijvoorbeeld hun tweedegraads bevoegdheid halen voor twee vakken tegelijk, of het halen van een tweedegraads bevoegdheid combineren met een pabo-opleiding. De lerarenopleidingen zien daarnaast het belang van meer flexibiliteit binnen de opleiding, zodat  beter kan worden ingespeeld op wat studenten al aan kennis en ervaring in huis hebben. Trajecten voor zij-instromers in het beroep van leraar zijn versterkt met een kwaliteitskader en er is een landelijk raamwerk ontwikkeld voor het Pedagogisch Didactisch Getuigschrift in het mbo. Enkele bekostigde lerarenopleidingen in het hbo nemen daarnaast deel aan het experiment ‘leeruitkomsten’. Doel hiervan is om maatwerk te bieden, de opleidingen gaan niet langer uit van een vaststaand onderwijsaanbod dat elke student volgt. In De Staat van het Onderwijs 2015/2016 gaan we nader in op dit experiment.

Onderwijskwaliteit: accreditaties

De tweedegraads-lerarenopleidingen hbo kennen 158 accreditaties van bekostigde bestaande opleidingen en 9 bekostigde nieuwe opleidingen. Daarnaast zijn er 18 niet-bekostigde bestaande opleidingen geaccrediteerd en 9 nieuwe opleidingen in het niet-bekostigde segment.

Een deel van deze accreditatie is met kader 2003 uitgevoerd. De overige met kader 2010 of 2014. In de subsector zijn de accreditaties die met kader 2010 of 2014 zijn geaccrediteerd, 18 opleidingen met een goed beoordeeld en 77 opleidingen met een ‘voldoende’.

Als het gaat om de deelindicator ‘beoogde eindkwalificaties, hebben 65 opleidingen tweedegraadslerarenopleidingen de beoordeling ‘goed’ gekregen. De ‘gerealiseerde eindkwalificaties’ laten 19 goede beoordelingen zien en vooral veel voldoendes. Er is één opleiding geweest met een hersteltraject.

Figuur B5: Aantal oordelen beoogde eindkwalificaties (links) en gerealiseerde eindkwalificaties (rechts) van bekostigde en niet-bekostigde opleidingen actief in 2013/2014 en/of 2014/2015 naar kader 2010 en 2014* voor de subsector tweedegraadslerarenopleidingen hbo

Figuur B5: Aantal oordelen beoogde eindkwalificaties (links) en gerealiseerde eindkwalificaties (rechts) van bekostigde en niet-bekostigde opleidingen actief in 2013/2014 en/of 2014/2015 naar kader 2010 en 2014* voor de subsector tweedegraadslerarenopleidingen hbo
beoogde eindkwalificatiesgerealiseerde eindkwalificaties
goed6519
voldoende3073
voldoende/goed3

* In de loop van de tijd heeft de NVAO verschillende beoordelingskaders gebruikt. Het kader 2003 en kader 2010 beoordelen een opleiding op verschillende punten, waardoor de uitkomsten niet te vergelijken of bij elkaar op te tellen zijn. De kaders 2010 en 2014 zijn wel vergelijkbaar.

Bron: NVAO, bewerkt door de Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (108 bytes)

Het aantal accreditaties komt niet overeen met het hiervoor genoemde aantal tweedegraads lerarenopleidingen. Het verschil komt wordt veroorzaakt door een aantal factoren. Deze zijn beschreven bij de indicator Accreditaties.

Onderwijskwaliteit: conclusies van de NVAO

Naast de analyses die de inspectie heeft gedaan op de accreditatie-uitkomsten, worden in dit sectorbeeld een aantal belangrijke conclusies opgenomen uit de systeembrede analyses van de NVAO over de tweedegraads-lerarenopleidingen hbo die zijn geaccrediteerd in 2016.

De opleidingen zijn bezig maatregelen op te stellen en te implementeren. De NVAO vindt dat dit proces al heeft geleid tot concrete verbeteringen. De visitatiepanels beoordelen de kwaliteit van deze tweedegraads lerarenopleidingen in Nederland als zeker voldoende, van een aantal opleidingen als goed. We citeren hieronder de voornaamste punten uit de samenvatting van de Systeembrede analyse van de NVAO (november 2016).

De NVAO schrijft:

‘Het invoeren van een onderzoekslijn, het aanscherpen van de beoordelingscriteria en het trainen van assessoren, een versterkte studieloopbaanoriëntatie, het versterken van praktijkleren en een meer uitgesproken internationale oriëntatie, zijn allen voorbeelden van veranderingen die de opleidingen sinds de vorige visitatieronde hebben doorgevoerd. Ook ziet de NVAO dat de opleidingen duidelijk verbeterd zijn met betrekking tot het verder ontwikkelen van het praktijkonderzoek, het professionaliseren van de docententeams, het verstevigen van de onderwijsleeromgeving en het samenwerken met andere opleidingen.

Op het gebied van studiesucces, de taalbeheersing van de studenten, het binnenhalen van expertise op het gebied van beroepsonderwijs en de kwaliteit van stages op stagescholen is er nog winst te behalen, maar in het algemeen komt er uit de visitatierapporten een positief beeld naar voren. De opleidingen hebben veel in gang gezet, met al zichtbare resultaten.

De NVAO komt tot de conclusie dat de opleidingen een zichtbare verbeterslag hebben gemaakt ten opzichte van de vorige accreditatie. Deze verbeterslag gaat nog door. Op het moment van visitatie en van deze systeembrede analyse werken de hogescholen verder aan het vernieuwen van de lerarenopleidingen, het implementeren van de afstudeerrichtingen, het verhogen van de kwaliteit van eindwerken en het verbeteren van de kwaliteit van de instroom. De aanbevelingen van de panels houden hier rekening mee.

Uit de vorige accreditatieronde kwamen de volgende belangrijkste aanbevelingen: het invoeren van een onderzoekslijn, het aanscherpen van de beoordelingscriteria en het trainen van assessoren, versterkte studieloopbaanbegeleiding, het versterken van praktijkleren en de internationale oriëntatie. Op al deze vlakken hebben de opleidingen zich verbeterd.

Daarnaast merkt de NVAO op dat de opleidingen duidelijk verbeterd zijn met betrekking tot het verder ontwikkelen van het praktijkonderzoek, het professionaliseren van de docententeams, het verstevigen van de onderwijsleeromgeving en het samenwerken met andere opleidingen. De landelijke kennisbases en –toetsen lijken een belangrijke bijdrage te hebben geleverd aan de borging van de basiskwaliteit van studenten. De kennisbases zijn verwerkt in de curricula van de opleidingen en worden momenteel op onderdelen aangepast door onderling overleg tussen de instellingen.

Er is bij de instellingen veel aandacht voor de kwaliteit van de instromende student. Er is wel nog extra aandacht nodig voor het taalniveau van studenten. De maatregelen die de instellingen hebben genomen om het studiesucces te vergroten hebben nog vrij weinig effect gehad. De NVAO raadt daarom aan dat de instellingen gezamenlijk ervaringen op dit vlak evalueren, zodat succesfactoren uitgewisseld kunnen worden.’

Er is in het veld veel aandacht voor het verhogen van de startbekwaamheid van studenten en beginnende docenten. De NVAO stelt in dit kader vast dat de opleidingen zijn begonnen met het invoeren van de specialismes/afstudeerrichtingen algemeen vormend onderwijs en beroepsonderwijs. Of deze ‘nieuwe’ specialisten beter onderlegd zullen zijn om in de verschillende types onderwijs les te geven dan de ‘oude’ generalisten, moet worden bezien. Ook ziet de NVAO dat er steeds meer aandacht is voor een inductieperiode van startende docenten.

De NVAO beschouwt het als haar opdracht om initiatieven die bijdragen aan een verhoogde professionaliteit van leraren te ondersteunen. De NVAO wil verder aanmoedigen dat de bovengenoemde positieve ontwikkelingen, zoals de invoering en herijking van de landelijke kennisbases en –toetsen, worden voortgezet.

Tevredenheid: studie aanraden?

De beschikbare gegevens over de indicator ‘aanraden’ hebben we verder opgesplitst. Deze subsector heeft niet-bekostigde deeltijdopleidingen en bekostigde voltijd- en deeltijdopleidingen. In Figuur B6 is te zien dat het percentage studenten dat de opleiding aan anderen zou aanraden bij alle drie de groepen in de loop van de jaren toeneemt. De studenten in de niet-bekostigde deeltijdopleidingen raden hun opleiding vaker aan dan de studenten in de bekostigde varianten. Het gaat daarbij om bijna 82 procent van de studenten in 2016.

Voor het totale hoger beroepsonderwijs lagen de percentages op 72 procent aanraders voor de deeltijdopleiding en 76 procent voor de voltijdopleiding.

Bij de bekostigde deeltijdopleidingen loopt het percentage ‘aanraders’ tussen 2014 en 2015 iets terug, waardoor het verschil tussen deeltijd en voltijd groter wordt. In 2016 raadt 72 procent van de studenten in bekostigde voltijdopleidingen hun opleiding aan anderen aan. Voor de studenten in deeltijdvarianten ligt dit percentage in 2016 op 66 procent.

Figuur B6: Percentage studenten van tweedegraadslerarenopleidingen hbo dat de opleiding zou aanraden aan familie of vrienden, naar bekostigd en niet-bekostigd, voltijd en deeltijd, 2012-2016 (n>50)

Figuur B6: Percentage studenten van tweedegraadslerarenopleidingen hbo dat de opleiding zou aanraden aan familie of vrienden, naar bekostigd en niet-bekostigd, voltijd en deeltijd, 2012-2016 (n>50)
bekostigd voltijdbekostigd deeltijdniet-bekostigd deeltijd
201264,0%59,5%73,5%
201364,9%61,5%68,9%
201466,7%63,6%76,2%
201569,3%62,9%80,3%
201671,8%65,8%81,8%
Bron: NSE; studiekeuze123, bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (183 bytes)

In onderzoek van de inspectie onder afgestudeerden (Beginnende leraren kijken terug, deel 2) zijn afgestudeerden van bekostigde tweedegraads-lerarenopleidingen gevraagd hoe zij de opleiding ervaren hebben. Een aantal uitkomsten daarvan worden besproken op andere webpagina’s van deze subsector: zie ‘Tevredenheid: over docenten’, ‘Tevredenheid: over praktijkaspecten’ en ‘Tevredenheid: over de voorbereiding op de beroepspraktijk’.

Het percentage afgestudeerden van tweedegraads-lerarenopleidingen hbo dat de opleiding zou aanraden ligt op 75 procent. Over het niveau van de opleiding als geheel is 16 procent van de afgestudeerden ontevreden, tweederde deel is tevreden hierover. De tevredenheid over het (vakinhoudelijk) niveau van de tentamens en opdrachten is daarmee vergelijkbaar en enkele procentpunten hoger. Belangrijk is wel om te bedenken dat de tevredenheid van afgestudeerden sterk kan verschillen per opleiding en instelling.

Tevredenheid: over docenten

Als we de tevredenheid van de studenten over vier aspecten van de kwaliteit van hun docenten bekijken, wordt duidelijk dat de voltijd studenten in de tweedegraads-lerarenopleidingen hbo het meest tevreden zijn over de inhoudelijke kennis van hun docenten en het minst tevreden zijn over de didactische kwaliteit van de docenten. Over de inhoudelijke kennis is 80 procent van de studenten in 2016 tevreden. Over de didactische kwaliteit is in 2016 69 procent van de studenten tevreden.

Voor alle vier de aspecten van docentkwaliteit geldt dat er in het laatste jaar een stijgende trend te zien is. Het aspect inhoudelijke kennis had de afgelopen jaren een licht dalende verloop van 82 procent tevreden studenten in 2010 naar 79 procent tevreden studenten in 2015.

In het totale hoger onderwijs (bekostigde voltijd bachelor opleidingen) zijn de studenten het meest tevreden over de kennis van docenten over de beroepspraktijk (72%) en het minst tevreden over de didactische kwaliteiten van docenten (57%). In de bekostigde deeltijdopleidingen zijn studenten het meest tevreden over de inhoudelijke kennis van de docenten (73%) en het minst over de didactische kwaliteit (61%).

Figuur B7: Percentage (zeer) tevreden studenten in bekostigde tweedegraadslerarenopleidingen hbo, naar vier aspecten van tevredenheid over docenten, 2012-2016 (n>50)

Figuur B7: Percentage (zeer) tevreden studenten in bekostigde tweedegraadslerarenopleidingen hbo, naar vier aspecten van tevredenheid over docenten, 2012-2016 (n>50)
basis voor startbasis voor ontwikkeling
2007/200876,6%63,6%
2008/200967,6%67,4%
2009/201055,7%58,3%
2010/201162,2%61,3%
2011/201257,9%53,2%
2012/201357,0%63,1%
2013/201461,2%64,9%
Bron: NSE; studiekeuze123, bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (204 bytes)

De beschikbare gegevens over de indicator ‘docenttevredenheid’ hebben we verder opgesplitst naar niet-bekostigde deeltijdopleidingen en bekostigde voltijd- en deeltijdopleidingen.

Met name op de aspecten inhoud en didactiek zien we verschillen tussen de bekostigde en niet-bekostigde opleidingen. Bij de niet-bekostigde deeltijdopleidingen fluctueert het percentage tevreden studenten. Wel hebben deze opleidingen meestal een hoger percentage tevreden studenten dan de bekostigde opleidingen.

De bekostigde voltijdopleidingen hebben een hoger tevredenheidspercentage dan de bekostigde deeltijdopleidingen. Het verloop van de tevredenheidspercentages bij voltijd- en deeltijdopleidingen is, ondanks het verschil, wel ongeveer gelijk door de jaren heen.

Figuur B8: Percentage studenten van tweedegraadslerarenopleidingen hbo dat (zeer) tevreden is over inhoudelijke kennis en de didactische kwaliteit van docenten, naar bekostigd en niet-bekostigd, voltijd en deeltijd, 2012-2016 (n>50)

Figuur B8: Percentage studenten van tweedegraadslerarenopleidingen hbo dat (zeer) tevreden is over inhoudelijke kennis en de didactische kwaliteit van docenten, naar bekostigd en niet-bekostigd, voltijd en deeltijd, 2012-2016 (n>50)
inhoud niet-bekostigd deeltijdinhoud bekostigd voltijdinhoud bekostigd deeltijddidactiek niet-bekostigd deeltijddidactiek bekostigd voltijddidactiek bekostigd deeltijd
201080,00%82,00%76,60%66,00%65,10%54,90%
201179,60%80,90%76,60%69,90%64,50%57,20%
201285,60%81,30%77,60%82,70%65,10%57,50%
201385,60%79,40%76,50%56,90%62,40%57,00%
201479,60%79,20%75,60%62,90%63,20%55,20%
201585,10%79,00%73,60%70,90%65,90%57,20%
201678,40%80,40%76,10%69,10%69,00%59,90%
Bron: NSE; studiekeuze123, bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (511 bytes)

Figuur B9: Percentage studenten van tweedegraadslerarenopleidingen hbo dat (zeer) tevreden is over betrokkenheid van docenten en over de kennis van de beroepspraktijk bij docenten, naar bekostigd en niet-bekostigd, voltijd en deeltijd, 2012-2016 (n>50)

Figuur B9: Percentage studenten van tweedegraadslerarenopleidingen hbo dat (zeer) tevreden is over betrokkenheid van docenten en over de kennis van de beroepspraktijk bij docenten, naar bekostigd en niet-bekostigd, voltijd en deeltijd, 2012-2016 (n>50)
betrokkenheid: bekostigd voltijdbetrokkenheid: niet-bekostigd deeltijdbetrokkenheid: bekostigd deeltijdberoepspraktijk: niet-bekostigd deeltijdberoepspraktijk: bekostigd voltijdberoepspraktijk: bekostigd deeltijd
201064,90%69,40%62,80%74,00%72,80%65,10%
201164,70%67,10%63,40%62,70%71,90%65,30%
201266,90%70,90%65,40%73,30%72,10%64,40%
201363,20%60,70%64,30%69,20%71,00%63,10%
201464,60%72,20%64,40%73,50%71,40%63,50%
201566,40%83,40%64,70%81,80%74,30%64,00%
201669,00%68,30%67,50%68,30%76,30%65,90%
Bron: NSE; studiekeuze123, bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (556 bytes)

De heftige fluctuaties in de lijnen van Figuur B8 en B9 zijn waarschijnlijk het gevolg van het relatief kleine aantal respondenten. De invloed van één oordeel weegt in zo’n geval veel zwaarder dan bij een grotere groep, waardoor trends sneller een grillig patroon vertonen. Voor de sectorbeelden hanteren we bij de gegevens van de NSE, hbo- en wo-monitor de regel dat er minstens 50 respondenten moeten zijn.

De inspectie heeft in onderzoek onder afgestudeerden van bekostigde tweedegraads-lerarenopleidingen onder meer gevraagd hoe zij oordelen over de docenten van de opleiding die zij hebben gevolgd (Beginnende leraren kijken terug, deel 2). Daaruit blijkt dat 80 procent van de afgestudeerden tevreden is over de theoretische kennis van docenten aan tweedegraads-lerarenopleidingen, slechts 7 procent is dat niet.

Bij de vraag naar de praktische kennis van docenten lag de focus op het werkveld waar de opleiding voor opleidt. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen praktische kennis van docenten van respectievelijk de onderbouw van havo/vwo, het vmbo en het mbo. De tevredenheid van afgestudeerden over de praktische kennis van docenten is een stuk lager dan de tevredenheid over de theoretische kennis. Vooral de tevredenheid over de praktische kennis die docenten hebben van het mbo-werkveld is laag (zie Figuur B10)

Figuur B10: Gestapeld percentage oordelen van afgestudeerden van tweedegraadslerarenopleidingen hbo over hun opleiding en docenten (n=927)

Figuur B10: Gestapeld percentage oordelen van afgestudeerden van tweedegraadslerarenopleidingen hbo over hun opleiding en docenten (n=927)
In hoeverre bent u tevreden over de volgende aspecten …
(zeer) ontevreden %niet tevreden, niet ontevreden %(zeer) tevreden %geen mening %
De praktische kennis van de docenten van de lerarenopleidng over het voortgezet onderwijs (havo/vwo)15%19%50%16%
De praktische kennis van de docenten van de lerarenopleidng over het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo)21%20%50%9%
De praktische kennis van de docenten van de lerarenopleidng over het middelbaar beroepsonderwijs (havo/vwo)20%20%39%21%
Bron: Inspectie van het Onderwijs, 2015 Brontabel als csv (539 bytes)

Tevredenheid: over praktijkaspecten

Bij de indicatoren ‘praktijkgerichtheid van de opleiding’ en ‘contact met de beroepspraktijk tijdens de opleiding’ zien we dat bij de voltijd tweedegraads lerarenopleidingen meer studenten tevreden zijn dan bij de deeltijdopleidingen. In 2016 zijn de voltijdstudenten 18 procentpunt tevredener over de praktijkgerichtheid van hun docenten dan de deeltijdstudenten: ruim 72 procent tevreden studenten bij de voltijdopleidingen en 54 procent tevreden studenten bij de deeltijdopleidingen.

Bij het contact met de beroepspraktijk tijdens de opleiding is bij voltijdopleidingen van de tweedegraads-lerarenopleidingen in 2016 65 procent van de studenten tevreden en bij de deeltijdopleidingen 49 procent. Een verschil van 16 procentpunt.

In het totale hoger onderwijs (bekostigde voltijd hbo-bacheloropleidingen) is de tevredenheid over de praktijkgerichtheid in 2016 68 procent. Voor de deeltijdopleidingen is dat 63 procent. Voor de indicator contact met de beroepspraktijk geldt dat 60 procent van de voltijd studenten in het totale hbo-bacheloronderwijs tevreden is en 50 procent van de deeltijdstudenten.

Figuur B11: Percentage studenten van tweedegraads-lerarenopleidingen hbo in het bekostigd hoger onderwijs dat (zeer) tevreden is over de praktijkgerichtheid van de opleiding en over het contact met de beroepspraktijk tijdens de opleiding, naar voltijd en deeltijd, 2016

Figuur B11: Percentage studenten van tweedegraads-lerarenopleidingen hbo in het bekostigd hoger onderwijs dat (zeer) tevreden is over de praktijkgerichtheid van de opleiding en over het contact met de beroepspraktijk tijdens de opleiding, naar voltijd en deeltijd, 2016
praktijkgerichtheid vtpraktijkgerichtheid dtberoepspraktijk vtberoepspraktijk dt
201071,0%55,2%53,8%70,5%
201169,0%53,5%51,7%66,8%
201268,9%52,7%49,2%66,7%
201367,6%50,7%44,5%60,1%
201468,9%52,4%44,5%60,1%
201570,0%51,9%46,5%63,2%
201672,2%53,9%49,5%65,1%
Bron: NSE; studiekeuze123, bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (296 bytes)

We hebben de twee aspecten van praktijkgerichtheid vergeleken voor de drie verschillende groepen tweedegraads- lerarenopleidingen hbo (niet-bekostigd deeltijd, bekostigd voltijd en bekostigd deeltijd). De vergelijking is weergegeven in Figuur B12. Opvallend is dat bij de niet-bekostigde deeltijdopleidingen de tevredenheid over beide kwaliteitsaspecten fluctueert. De figuur maakt ook duidelijk dat bij de bekostigde voltijdopleidingen meer studenten tevreden zijn over zowel praktijkgerichtheid als contact met de beroepspraktijk dan bij de bekostigde deeltijdopleidingen. Het verschil tussen voltijd- en deeltijdstudenten is aanzienlijk. Dit kan wellicht worden verklaard vanuit hun situatie: voor voltijdstudenten vormen de stages vaak het eerste contact met de beroepspraktijk, terwijl veel deeltijdstudenten al een werkplek hebben en soms al enkele jaren werken. Het zou kunnen dat zij de opleiding als theoretisch ervaren, tijdens de opleiding komen er soms thema’s of onderwerpen aan bod die zij niet direct kunnen toepassen op werkplek.

Figuur B12: Percentage van studenten dat (zeer) tevreden is over de praktijkgerichtheid en het contact met de beroepspraktijk tijdens de opleiding, in de subsector tweedegraads-lerarenopleidingen hbo, naar bekostigd en niet-bekostigd, voltijd en deeltijd, 2010-2016

Figuur B12: Percentage van studenten dat (zeer) tevreden is over de praktijkgerichtheid en het contact met de beroepspraktijk tijdens de opleiding, in de subsector tweedegraads-lerarenopleidingen hbo, naar bekostigd en niet-bekostigd, voltijd en deeltijd, 2010-2016
PraktijkgerichtheidContact beroepspraktijk
niet-bekostigd deeltijdbekostigd voltijdbekostigd deeltijdniet-bekostigd deeltijdbekostigd voltijdbekostigd deeltijd
201051,0%71,0%55,2%53,6%70,5%53,8%
201158,3%69,0%53,5%60,8%66,8%51,7%
201269,8%68,9%52,7%69,7%66,7%49,2%
201355,0%67,6%50,7%49,9%60,1%44,5%
201471,7%68,9%52,4%49,8%60,1%44,5%
201574,3%70,0%51,9%66,5%63,2%46,5%
201660,3%72,2%53,9%51,6%65,1%49,5%
Bron: NSE; studiekeuze123, bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (468 bytes)

De heftige fluctuaties in de lijnen van Figuur B12 zijn waarschijnlijk het gevolg van het relatief kleine aantal respondenten. De invloed van één oordeel weegt in zo’n geval veel zwaarder dan bij een grotere groep, waardoor trends sneller een grillig patroon vertonen. Voor de sectorbeelden hanteren we bij de gegevens van de NSE, hbo- en wo-monitor de regel dat er minstens 50 respondenten moeten zijn.

In het inspectieonderzoek onder afgestudeerden (Beginnende leraren kijken terug, deel 2) hebben we vragen gesteld over de begeleiding bij de stage of het werkplekleren door respectievelijk de opleiding en de (stage-)school. Driekwart van de afgestudeerden is tevreden over de begeleiding vanuit de school, één op de tien is dat niet. De tevredenheid over de begeleiding door de opleiding is lager: ruim 60 procent is hier tevreden over, een kwart is dat niet.

Tevredenheid: over de basis die de opleiding biedt

De afgestudeerden van de tweedegraadslerarenopleidingen hbo zijn door de jaren heen even tevreden over de basis die de opleiding biedt voor de start op de arbeidsmarkt als voor de verdere ontwikkeling op de arbeidsmarkt. Voor beide aspecten ligt het percentage tevreden afgestudeerden net boven de 60 procent.

In vergelijking met het totale hbo bacheloronderwijs zijn er bij de tweedegraads-lerarenopleidingen meer tevreden studenten over de basis die de opleiding biedt voor de start op de arbeidsmarkt (52% versus 61%). Voor de basis die de opleiding biedt voor de verdere ontwikkeling op de arbeidsmark zijn er in het totale hbo bachelor onderwijs (68%) iets meer tevreden studenten dan bij de tweedegraads-lerarenopleidingen (65%).

Figuur B13: Percentage studenten van bekostigde voltijd tweedegraadslerarenopleidingen hbo dat (zeer) tevreden is over de basis die de opleiding biedt voor de start op de arbeidsmarkt en voor de verdere ontwikkeling op de arbeidsmarkt,

Figuur B13: Percentage studenten van bekostigde voltijd tweedegraadslerarenopleidingen hbo dat (zeer) tevreden is over de basis die de opleiding biedt voor de start op de arbeidsmarkt en voor de verdere ontwikkeling op de arbeidsmarkt,
basis voor startbasis voor ontwikkeling
2007/200876,6%63,6%
2008/200967,6%67,4%
2009/201055,7%58,3%
2010/201162,2%61,3%
2011/201257,9%53,2%
2012/201357,0%63,1%
2013/201461,2%64,9%
Bron: HBO-monitor 2016, ROA, bewerkt door de Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (204 bytes)

Tevredenheid: over de voorbereiding op de beroepspraktijk

In de afgelopen jaren heeft de Inspectie van het Onderwijs onderzocht hoe tevreden recentelijk afgestudeerden zijn over hoe pabo of lerarenopleiding hen heeft voorbereid op het geven van onderwijs. De resultaten van het onderzoek onder afgestudeerden van tweedegraads opleidingen hbo zijn beschreven in het rapport Beginnende leraren kijken terug, deel 2. We vatten hier de voornaamste conclusies samen.

Alles overziende voelt ruim de helft van de afgestudeerden zich door de lerarenopleiding voldoende voorbereid op lesgeven in de onderbouw van het havo/vwo (51%) of het vmbo (58%). Circa 15 procent is ontevreden over deze voorbereiding. Over de voorbereiding op het mbo zijn de afgestudeerdenminder tevredenheid. Met de stelling ‘de lerarenopleiding heeft mij voldoende voorbereid op lesgeven op het mbo’ is slechts 42 procent het eens, 21 procent van de afgestudeerden is het daarmee oneens. Dit onderstreept het belang van maatregelen om de aandacht voor mbo te vergroten. De lerarenopleidingen werken aan een curriculumherziening, waardoor voorbereiding op het lesgeven in het mbo beter zou moeten worden.

Afgestudeerden van tweedegraads-lerarenopleidingen hbo zijn tevredener over de vakinhoud dan over de voorbereiding op de pedagogisch-didactische kant van het beroep. Acht van de tien afgestudeerden zijn tevreden over de vakkennis die zij hebben opgedaan. Ook als het gaat om de ontwikkeling van een aantal basale vakdidactische vaardigheden, bijvoorbeeld ‘goed kunnen uitleggen van de stof’, zien we een veel tevreden afgestudeerden. Wel is er kritiek op de aandacht voor leerlijnen binnen het schoolvak: een derde deel van de afgestudeerden vindt dat er te weinig aandacht is voor het onderdeel ‘de opbouw van het lesprogramma’ (vanaf het eerste schooljaar tot het eindexamen).

De meeste afgestudeerden zijn redelijk tevreden over de voorbereiding op een aantal basale pedagogisch-didactische vaardigheden. Een paar onderwerpen springen er positief uit. Zo zegt een grote meerderheid goed te hebben geleerd om duidelijke lesdoelen te formuleren (negen van de tien tevreden), de les gestructureerd af te sluiten (acht van de tien tevreden) en leerlingen gericht aan het werk te zetten (ruim driekwart tevreden). Onderwerpen die achterblijven zijn het leren maken van toetsen en opdrachten (de helft is tevreden, ruim een kwart ontevreden) en de inzet van digitale leermiddelen (60% tevreden, 20% ontevreden).

Afgestudeerden voelen zich te weinig voorbereid op differentiatievaardigheden. Het gaat dan om zaken als het systematisch volgen en analyseren van leerlingresultaten (slechts vier van de tien tevreden, ruim een derde voelt zich hier onvoldoende op voorbereid), en het aanpassen van de leerstof aan leerlingen met een achterstand of voorsprong (ruim een derde deel tevreden, eveneens ruim een derde voelt zich hier onvoldoende op voorbereid).

Vooral in het vmbo en het mbo, maar ook in het de onderbouw van havo/vwo krijgen leraren mogelijk te maken met leerlingen met leer- of gedragsproblemen. De tevredenheid over de voorbereiding op het omgaan met leerlingen met problemen is laag: één op de drie afgestudeerden heeft niet geleerd om leerproblemen of ontwikkelings- en gedragsproblemen te signaleren en te agenderen; slechts 45 procent (leerproblemen) respectievelijk ruim 50 procent (ontwikkelings- en gedragsproblemen) is hier tevreden over. Ruim een vijfde van de afgestudeerden heeft behoefte aan een steviger theoretische basis op het gebied van leer- en gedragsproblemen. Ook het omgaan met verschillende sociaal-culturele achtergronden van leerlingen is een belangrijk aandachtspunt.
Starten met de studie

De meeste studenten die een opleiding in de sector Onderwijs volgen, stromen in in de tweedegraads-lerarenopleidingen hbo.

In 2013 zagen we een toename van deze instroom van 7.900 studenten in 2012 tot bijna 8.800 studenten in 2013. Daarna nam de jaarlijkse instroom weer af tot 8.300 studenten in 2015. Het blijkt dat deze toename vooral toe te schrijven is aan studenten die al eerder in het hoger onderwijs hebben gestudeerd (indirecte instroom) bij zowel voltijd- als deeltijdopleidingen.

Van de studenten die instromen in de tweedegraads lerarenopleidingen hbo heeft ruim 60 procent al eerder in het hoger onderwijs ingeschreven gestaan. Bijna 40 procent van de studenten begint voor het eerst aan een opleiding in het hoger onderwijs.

Van de groep die al eerder een opleiding in het hoger onderwijs volgde en de overstap maakte naar een tweedegraads-lerarenopleiding komt bijna 40 procent uit een opleiding uit de sector onderwijs. Een ander deel komt uit een opleiding uit de sector Gedrag& Maatschappij (18%), Economie (17%) en Techniek (9%).

Figuur B.14: Aantal (directe en indirecte samen*) instroom in bekostigde tweedegraadslerarenopleidingen hbo, naar voltijd- en deeltijd, 2011-2015

Figuur B.14: Aantal (directe en indirecte samen*) instroom in bekostigde tweedegraadslerarenopleidingen hbo, naar voltijd- en deeltijd, 2011-2015
deeltijdvoltijd
201129205173
201227625164
201329315836
201427325799
201528215491

* Met de term directe instroom duiden we studenten aan die niet alleen voor het eerst aan de betreffende opleiding beginnen maar ook voor het eerst in het hoger onderwijs staan ingeschreven. Dit zijn bijvoorbeeld studenten die uit het voortgezet onderwijs of het mbo komen. Indirect instromende studenten is een aanduiding voor de groep die al eerder in het hoger onderwijs stond ingeschreven in een andere studie, maar zich nu voor het eerst heeft ingeschreven voor de betreffende opleiding.

Bron:1cijferHO,DUO;bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (99 bytes)

De instroom in de tweedegraads-lerarenopleidingen hbo bestaat voor 60 procent uit havisten. Dit percentage is al een aantal jaren min of meer onveranderd. Net iets meer dan 30 procent van de instromers zijn studenten met een mbo-achtergrond en nog geen 5 procent heeft een vwo-achtergrond. Dit percentage is de afgelopen jaren ook dalende waardoor het percentage mbo-instroom toeneemt.

Figuur B15: Aantal direct instromende studenten in bekostigde tweedegraadslerarenopleidingen hbo, naar vooropleiding, voltijd en deeltijd, 2011-2015

Figuur B15: Aantal direct instromende studenten in bekostigde tweedegraadslerarenopleidingen hbo, naar vooropleiding, voltijd en deeltijd, 2011-2015
vwo dtvwo vthavo dthavo vtmbo dtmbo vt
2011381201031445322667
201224102731518284670
201334129761613282777
201426105701613267845
20152066691530272800
Bron:1cijferHO,DUO;bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (191 bytes)

Van de groepen bacheloropleidingen in de sector Onderwijs heeft de groep tweedegraads lerarenopleidingen hbo (voltijd) het hoogste percentage instromende studenten met een niet-westerse achtergrond. Dit aandeel stijgt met de jaren; van 17 procent in 2011 naar 21 procent in 2015. Onder alle voltijd hbo-bachelors in het hoger onderwijs ligt het percentage instromende studenten met een niet-westerse achtergrond op 18 procent. Het percentage bij de tweedegraadslerarenopleidingen hbo ligt hier dus iets boven.

Figuur B16: Gestapeld percentage instroom (direct en indirect samen) in bekostigde tweedegraadslerarenopleidingen hbo, naar studenten met een westerse en een niet-westerse achtergrond, voltijd en deeltijd, 2011-2015

Figuur B16: Gestapeld percentage instroom (direct en indirect samen) in bekostigde tweedegraadslerarenopleidingen hbo, naar studenten met een westerse en een niet-westerse achtergrond, voltijd en deeltijd, 2011-2015
w.a.n.w.a.
2011vt82,5%17,5%
dt87,8%12,2%
2012vt81,3%18,7%
dt89,0%11,0%
2013vt79,5%20,5%
dt88,4%11,6%
2014vt79,0%21,0%
dt89,3%10,7%
2015vt79,1%20,9%
dt88,0%12,0%

w.a.: studenten met een westerse achtergrond
n.w.a.: studenten met een niet-westerse achtergrond

Bron:1cijferHO,DUO;bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (206 bytes)

Bij de tweedegraads lerarenopleidingen hbo is 45 procent van de studenten die instroomt man. Dit is bijna het hoogste percentage mannen in de sector Onderwijs. Alleen de lerarenopleidingen kunst/lichamelijke opvoeding heeft een groter aandeel mannen dat instroomt. Het percentage mannen bij de tweedegraads lerarenopleidingen hbo neemt in de loop van de jaren wel iets af van 48 procent in 2011 naar 44 procent in 2015.

Figuur B17: Gestapeld percentage instroom (direct en indirect samen) in bekostigde tweedegraadslerarenopleidingen hbo, naar mannen en vrouwen, voltijd en deeltijd, 2011-2015

Figuur B17: Gestapeld percentage instroom (direct en indirect samen) in bekostigde tweedegraadslerarenopleidingen hbo, naar mannen en vrouwen, voltijd en deeltijd, 2011-2015
manvrouw
2011vt47,7%52,3%
dt45,4%54,6%
2012vt46,1%53,9%
dt44,8%55,2%
2013vt46,3%53,7%
dt45,8%54,2%
2014vt45,0%55,0%
dt44,0%56,0%
2015vt43,1%56,9%
dt43,8%56,2%
Bron:1cijferHO,DUO;bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (203 bytes)

Tijdens de studie

Een tweedegraads- lerarenopleiding hbo duurt vier jaar. Om inzicht te krijgen in het verloop van de studieloopbaan van studenten in deze opleiding, volgen we de groep studenten die in 2010 startte met de opleiding tot 2015 (nominaal plus een jaar).

We zien dat in 2015 20 procent van de groep die in 2010 startte met de opleiding een diploma heeft gehaald en ruim 9 procent een andere opleiding heeft afgerond met een diploma (waarvan 7 procent geen tweedegraads lerarenopleiding). Figuur B18 geeft dat weer met respectievelijk het blauwe vlak en het gele vlak.

36 procent studeert nog in 2015, ruim 14 procent daarvan aan een tweedegraadslerarenopleiding (oranje vlak). De rest is van studie gewisseld en studeert aan een andere opleiding, weergegeven met het groene vlak (ruim 21%). Die andere opleiding kan een opleiding zijn in de sector Onderwijs (een vijfde), in een andere sector of een opleiding in het wo.

35 procent studeert niet meer in het hoger onderwijs (roze vlak) en is daarmee uitgevallen.

Figuur B18: Gestapeld percentage studenten van bekostigde voltijd tweedegraadslerarenopleiding hbo dat gedurende vijf jaar na de start van de opleiding in 2010, uitvalt, een diploma haalt aan deze of een andere opleiding, niet meer studeert of aan een andere opleiding studeert

Figuur B18: Gestapeld percentage studenten van bekostigde voltijd tweedegraadslerarenopleiding hbo dat gedurende vijf jaar na de start van de opleiding in 2010, uitvalt, een diploma haalt aan deze of een andere opleiding, niet meer studeert of aan een andere opleiding studeert
uitgevallengediplomeerd aan andere opleidinggediplomeerd aan initiele opleidinggeswitcht en studeert in andere opleidingstudeert in opleiding
2010100,0%
na 1 jaar23,9%4,5%27,9%43,7%
na 2 jaar30,0%1,2%5,4%29,1%34,2%
na 3 jaar31,6%2,0%6,5%29,0%30,9%
nominaal33,9%4,4%13,9%25,9%21,9%
nominaal+135,2%9,0%19,9%21,4%14,5%
Bron:1cijferHO,DUO;bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (358 bytes)

Tijdens de studie: uitval studenten

We zagen in het vorige hoofdstukje dat van de groep voltijd studenten die in 2010 met de tweedegraads-lerarenopleiding hbo is gestart, 35 procent na vijf jaar is uitgevallen. Dat betekent dat zij na één jaar in deze opleiding niet meer staan ingeschreven in het hoger onderwijs.

We kunnen ook het percentage uitgevallen studenten per jaar bekijken. Dan zien we dat in 2014 21 procent van de deeltijdstudenten na een jaar is uitgevallen en bijna 24 procent van de voltijd studenten. Zie Figuur B19. Dit is hoger dan de uitval van voltijd hbo bachelor studenten in het totale hoger onderwijs (17%). De uitval onder deeltijdstudenten was tot en met 2013 iets hoger dan de uitval van voltijdstudenten. In 2014 geldt dat omgekeerd; de uitval onder voltijdstudenten is iets hoger (24%) dan onder deeltijdstudenten (21%). In het totale hoger onderwijs viel in dat jaar 24 procent van de deeltijd studenten uit.

Figuur B19: Percentage uitval (na een jaar) uit bekostigde tweedegraadslerarenopleidingen hbo, naar voltijd en deeltijd, 2010-2014

Figuur B19: Percentage uitval (na een jaar) uit bekostigde tweedegraadslerarenopleidingen hbo, naar voltijd en deeltijd, 2010-2014
voltijddeeltijd
201023,9%24,6%
201124,9%26,4%
201220,4%22,7%
201322,4%23,5%
201423,5%21,2%
Bron: 1cijferHO,DUO; bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (109 bytes)

Bij de tweedegraads-lerarenopleidingen hbo vallen meer studenten met een mbo-vooropleiding uit dan studenten met een havo-vooropleiding. Figuur B19 laat dat zien. Dit heeft er wellicht mee te maken dat het voor studenten uit het mbo lastiger is om te voldoen aan de vakinhoudelijke eisen die worden gesteld.  Het verschil in uitvalpercentage tussen deze twee groepen is niet zo groot als het verschil tussen beide studentengroepen in het totale hoger onderwijs. Daar is de uitval onder mbo’ers 10 procentpunt hoger dan bij de havisten.

Figuur B20: Percentage uitval (na een jaar) uit bekostigde voltijd tweedegraadslerarenopleidingen hbo, naar vooropleiding, 2010-2014

Figuur B20: Percentage uitval (na een jaar) uit bekostigde voltijd tweedegraadslerarenopleidingen hbo, naar vooropleiding, 2010-2014
mbohavovwo
201027,1%17,9%13,5%
201129,7%18,9%8,3%
201225,2%16,1%3,9%
201324,3%16,2%9,3%
201426,0%19,0%6,7%
Bron:1cijferHO,DUO;bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (131 bytes)

In het totale hoger onderwijs bedraagt de uitval van mannen ongeveer 20 procent.

De uitval bij de tweedegraads-lerarenopleidingen hbo loopt met een uitvalpercentage van 25 procent bij de mannen en 19 procent bij de vrouwen in 2014 vrijwel synchroon aan het beeld in de sector Onderwijs.

Bij de voltijd-bacheloropleidingen in deze subsector is de uitval van mannen in 2014 bijna 27 procent en dat van vrouwen bijna 21 procent. Zie Figuur B21.

Figuur B21: Percentage uitval (na een jaar) uit bekostigde voltijd tweedegraadslerarenopleidingen hbo, naar mannen en vrouwen, 2010-2014

Figuur B21: Percentage uitval (na een jaar) uit bekostigde voltijd tweedegraadslerarenopleidingen hbo, naar mannen en vrouwen, 2010-2014
manvrouw
201027,0%21,1%
201128,0%22,1%
201222,9%18,1%
201325,3%19,9%
201426,6%20,9%
Bron:1cijferHO,DUO;bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (102 bytes)

Studenten met een niet-westerse achtergrond in de tweedegraads-lerarenopleidingen hbo vallen vaker uit dan studenten met een westerse achtergrond. Deze studenten vallen minder vaak uit dan voltijd hbo-bachelorstudenten met een niet-westerse achtergrond in het totale hoger onderwijs. De tweedegraads lerarenopleidingen vinden het belangrijk om het studiesucces en diplomarendement van mbo’ers en studenten met een niet-westerse achtergrond te verhogen. Zie Opleiden voor de toekomst. Lerarenopleidingen 2015-2018. Vereniging Hogescholen 2015.

Figuur B22: Percentage uitval (na een jaar) uit bekostigde voltijd tweedegraadslerarenopleidingen hbo en het totale hoger onderwijs (bekostigd voltijd hbo bachelor), naar studenten met een westerse en een niet-westerse achtergrond, 2010-2014

Figuur B22: Percentage uitval (na een jaar) uit bekostigde voltijd tweedegraadslerarenopleidingen hbo en het totale hoger onderwijs (bekostigd voltijd hbo bachelor), naar studenten met een westerse en een niet-westerse achtergrond, 2010-2014
2e graads, n.w.a.2e graads, w.a.totaal ho, n.w.a.totaal ho, w.a.
201022,9%24,1%25,7%19,6%
201127,9%24,3%27,4%19,7%
201222,7%19,8%25,0%17,5%
201325,8%21,6%27,8%19,2%
201424,5%23,2%25,7%20,2%

n.w.a.: studenten met een niet-westerse achtergrond
w.a.: studenten met een westerse achtergrond

Bron:1cijferHO,DUO;bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (221 bytes)

Tijdens de studie: veranderen van opleiding

We zagen hiervoor dat van de groep voltijd studenten die in 2010 startte met een tweedegraads-lerarenopleiding hbo, na vijf jaar bijna 25 procent is overgestapt naar een andere opleiding.

We kunnen ook het percentage switchers per jaar bekijken. Dat is het percentage voltijd studenten dat na een jaar ingeschreven te hebben gestaan bij een tweedegraadslerarenopleiding hbo, het jaar daarop staat ingeschreven bij een andere opleiding.

Het percentage voltijd studenten dat na een jaar van opleiding wisselt is voor studenten in tweedegraads lerarenopleidingen hbo in 2014 ruim 25 procent. Dat percentage ligt 6 procentpunt hoger dan in het totale hbo onderwijs dat jaar. In de jaren ervoor lag het percentage studenten dat van opleiding wisselde bij de tweedegraads leraenopleidingen ook hoger dan in het totale hbo-onderwijs. Zie Figuur B23. Een verklaring voor het gegeven dat veel studenten wisselen van studie, is volgens de opleidingen dat niet alleen studenten starten met de opleiding die bewust kiezen voor het leraarschap, maar ook studenten die kiezen voor het vakgebied zelf (bijvoorbeeld omdat zij het vak geschiedenis zo interessant vinden). Tijdens stages die al vanaf het eerste leerjaar centraal staan, komen deze studenten er soms achter dat het leraarschap, het beroep, niet bij ze past.

Figuur B23: Percentage studenten dat na een jaar naar een andere opleiding overstapt, in bekostigde voltijd tweedegraadslerarenopleidingen hbo en het totale hoger onderwijs (bekostigd voltijd hbo bachelor), 2010-2014

Figuur B23: Percentage studenten dat na een jaar naar een andere opleiding overstapt, in bekostigde voltijd tweedegraadslerarenopleidingen hbo en het totale hoger onderwijs (bekostigd voltijd hbo bachelor), 2010-2014
2e graadstotaal ho
201027,9%19,8%
201126,0%20,1%
201229,2%21,9%
201327,6%20,9%
201425,3%19,2%
Bron:1cijferHO,DUO;bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (112 bytes)

In de tweedegraads lerarenopleidingen hbo switchen vooral de studenten met een havo-vooropleiding. Van deze groep switchte 40 procent van het jaar 2010 en 33 procent in 2014. Bij de tweedegraads-lerarenopleidingen hbo neemt het percentage studenten met een mbo-vooropleiding dat naar een andere opleiding overstapt, in de loop van de jaren af. Bij studenten met een havo vooropleiding is, het percentage switchers de afgelopen jaren ongeveer gelijk gebleven. Bij studenten met een vwo-vooropleiding neemt het percentage toe. Zie Figuur B24.

Figuur B24: Percentage studenten van bekostigde voltijd tweedegraadslerarenopleidingen hbo dat na een jaar naar een andere opleiding overstapt, naar vooropleiding, 2010-2014

Figuur B24: Percentage studenten van bekostigde voltijd tweedegraadslerarenopleidingen hbo dat na een jaar naar een andere opleiding overstapt, naar vooropleiding, 2010-2014
mbohavovwo
201027,1%39,0%21,2%
201124,7%37,2%20,0%
201227,8%37,2%26,5%
201329,3%36,5%21,7%
201424,4%32,7%27,6%

Bij de tweedegraads-lerarenopleidingen hbo veranderen mannen vaker van opleiding dan vrouwen. In 2014 is het verschil zo’n 3 procentpunt. Bijna 24 procent van de vrouwen verandert in het eerste jaar van opleiding en ruim 27 procent van de mannen.

Bron:1cijferHO,DUO;bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (135 bytes)

Figuur B25: Percentage studenten van bekostigde voltijd tweedegraadslerarenopleidingen hbo dat na een jaar naar een andere opleiding overstapt, naar mannen en vrouwen, 2010-2014

Figuur B25: Percentage studenten van bekostigde voltijd tweedegraadslerarenopleidingen hbo dat na een jaar naar een andere opleiding overstapt, naar mannen en vrouwen, 2010-2014
manvrouw
201029,5%26,4%
201128,3%23,9%
201230,6%27,9%
201328,8%26,5%
201427,2%23,8%
Bron:1cijferHO,DUO;bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (102 bytes)

De switch onder studenten met een niet-westerse achtergrond bij de tweedegraadslerarenopleidingen hbo is in 2013 en 2014 even hoog als in het totale hbo-bacheloronderwijs. Voor studenten met een westerse achtergrond zien we dat de switch in de subsector een stuk hoger ligt dan in het totale hbo-bacheloronderwijs.

De switch onder studenten met een niet-westerse achtergrond in de tweedegraadslerarenopleidingen hbo daalt de afgelopen jaren van bijna 37 procent in 2010 naar 28 procent in 2014. De switch onder studenten in deze subsector met een westerse achtergrond blijft in deze jaren min of meer gelijk en staat in 2014 op ruim 24 procent.

Figuur B26: Percentage studenten van bekostigde voltijd hbo bacheloropleidingen dat na een jaar naar een andere opleiding overstapt, naar studenten met een westerse en een niet-westerse achtergrond, in tweedegraadslerarenopleidingen hbo en het totale hoger onderwijs (bekostigd voltijd hbo bachelor)

Figuur B26: Percentage studenten van bekostigde voltijd hbo bacheloropleidingen dat na een jaar naar een andere opleiding overstapt, naar studenten met een westerse en een niet-westerse achtergrond, in tweedegraadslerarenopleidingen hbo en het totale hoger onderwijs (bekostigd voltijd hbo bachelor)
2e graads, n.w.a.totaal ho, n.w.a.2e graads, w.a.totaal ho, w.a.
201036,7%29,2%26,1%17,9%
201132,0%29,4%24,7%18,1%
201235,0%32,2%27,8%19,7%
201329,3%30,2%27,1%18,9%
201429,3%28,2%24,3%17,3%

n.w.a.: Studenten met een niet-westerse achtergrond
w.a.: Studenten met een westerse achtergrond

Bron:1cijferHO,DUO;bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (220 bytes)

Als studenten wisselen van studie kunnen zij kiezen voor een opleiding buiten de sector Onderwijs. Van de studenten die in 2014 kozen voor een andere opleiding dan de tweedegraads-lerarenopleidingen hbo (bijna 25%), is ruim 17 procent overgestapt naar een opleiding buiten de sector Onderwijs. Ruim 7 procent van de 25 procent heeft dus opnieuw voor een studie in de sector Onderwijs gekozen.

Uit de analyses blijkt dat in 2014 studenten met een vwo-vooropleiding vaker overstappen naar een opleiding in een andere sector vergeleken met studenten die een mbo- of havovooropleiding hebben. In de jaren ervoor waren het de studenten met een havo-achtergrond die het vaakst overstapten naar een opleiding in een andere sector. Bij de groep vwo’ers steeg de switch van 18 procent in 2013 naar bijna 25 procent in 2014, een opvallende verandering.

De switch van de studenten met een havo-vooropleiding naar een opleiding in een andere sector is van gedaald van 28 procent in 2010 n aar 23 procent in 2014.

De switch naar een opleiding in een andere sector is het laagst bij de mbo’ers.

Figuur B27: Percentage studenten van bekostigde voltijd tweedegraadslerarenopleidingen hbo dat na een jaar naar een andere opleiding overstapt in een andere sector dan de sector Onderwijs, naar vooropleiding, 2010-2014

Figuur B27: Percentage studenten van bekostigde voltijd tweedegraadslerarenopleidingen hbo dat na een jaar naar een andere opleiding overstapt in een andere sector dan de sector Onderwijs, naar vooropleiding, 2010-2014
mbohavovwo
201016,5%28,1%15,4%
201117,2%26,5%16,7%
201216,6%26,5%20,6%
201316,9%26,1%17,8%
201414,3%23,2%24,8%
Bron:1cijferHO,DUO;bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (135 bytes)

Studiesucces: rendement

In 2015 heeft 22 procent van de groep studenten die in 2010 startte een diploma gehaald aan de tweedegraads-lerarenopleidingen hbo en ruim zeven procent heeft een diploma gehaald bij een andere opleiding.

Als we in 2015 niet het percentage gediplomeerden van de startgroep uit 2010 nemen maar het percentage gediplomeerden van de startgroep uit 2010 die ook na een eerste jaar doorging met de studie, ligt dit zogenaamde diplomarendement, op 35 procent in plaats van 22 procent. Anders gezegd: het diplomarendement van de herinschrijvers is vijf jaar na de start van de studie 35 procent. Dit geldt voor de groep studenten die in 2010 met de studie begon.

Het rendement van studenten met een vwo-vooropleiding was van de groepen die startte in 2006, 2007 en 2008 een stuk hoger dan van studenten met een havo- of mbo-vooropleiding. Vanaf de groep studenten die in 2008 met de studie startte, daalt het rendement van de groep studenten met een vwo-vooropleiding van 61 procent naar 47 procent voor de groep die in 2009 begon. Het percentage ligt bij de groep die in 2010 de studie aanving 5 procentpunt boven het rendement van studenten met een mbo vooropleiding. Het rendement van mbo’ers die in 2009 of 2010 startte, is gestegen van bijna 36 procent naar 43 procent. In de jaren daarvoor kende daalde het rendement van deze groep nog; van bijna 49 procent rendement bij de groep die in 2006 met de studie startte, tot bijna 36 procent bij de groep die in 2009 startte. Een daling van 13 procentpunten in drie jaar.

Figuur B28: Percentage diploma’s (herinschrijvers) na nominale studieduur plus één jaar, van studenten van bekostigde voltijd tweedegraads-lerarenopleidingen hbo, naar vooropleiding, 2010-2014

Figuur B28: Percentage diploma’s (herinschrijvers) na nominale studieduur plus één jaar, van studenten van bekostigde voltijd tweedegraads-lerarenopleidingen hbo, naar vooropleiding, 2010-2014
mbohavovwo
200648,5%37,1%54,9%
200745,5%39,0%63,5%
200838,0%36,6%61,0%
200935,5%34,5%48,1%
201043,0%33,4%47,1%
Bron:1cijferHO,DUO;bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (135 bytes)

Bij de mannen zien we een daling in het rendement vanaf de groep die in 2006 startte tot aan de groep die in 2008 startte. Vanaf de groep die in 2009 startte halen mannen weer iets vaker binnen vijf jaar een diploma. Voor de groep die in 2010 startte is het rendement 27 procent.

Bij de vrouwen ligt het rendement flink hoger. De groep vrouwen die in 2010 startte, kende een rendement van 41 procent. Vanaf de groep die in 2007 startte, daalt het rendement bij de vrouwen gaan tot 38 procent in 2009. De groep die in 2010 startte haalde voor het eerst weer een hoger rendement dan de groep van het jaar ervoor.

Figuur B29: Percentage diploma’s (herinschrijvers) na nominale studieduur plus één jaar, van studenten van bekostigde voltijd tweedegraads-lerarenopleidingen hbo, naar mannen en vrouwen, 2006-2010

Figuur B29: Percentage diploma’s (herinschrijvers) na nominale studieduur plus één jaar, van studenten van bekostigde voltijd tweedegraads-lerarenopleidingen hbo, naar mannen en vrouwen, 2006-2010
manvrouw
200633,2%43,1%
200732,0%46,6%
200826,4%43,4%
200926,7%38,4%
201027,0%41,1%
Bron:1cijferHO,DUO;bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (102 bytes)

Het rendement van studenten met een westerse en van studenten met een niet-westerse achtergrond ligt lager dan in het totale hoger onderwijs bij deze groepen. Voor de studenten met een westerse achtergrond is het verschil tussen de sector Onderwijs en het totale hoger onderwijs 27 procentpunten. De groep studenten met een westerse achtergrond die in 2010 startte kende in de sector Onderwijs een rendement van 36 procent. In het totale hoger onderwijs was dat 63 procent. De groep studenten met een niet-westerse achtergrond die in 2010 startte kende in de sector Onderwijs een rendement van 27 procent. In het totale hoger onderwijs was dat bijna 43 procent. Een verschil van 16 procentpunten.

Figuur B30: Percentage diploma’s (herinschrijvers) na nominale studieduur plus één jaar, voor de bekostigde tweedegraads-lerarenopleidingen, uitgesplitst naar achtergrond

Figuur B30: Percentage diploma’s (herinschrijvers) na nominale studieduur plus één jaar, voor de bekostigde tweedegraads-lerarenopleidingen, uitgesplitst naar achtergrond
2e graads hbo, n.w.a.2e graads hbo, w.a.totaal ho, n.w.a.totaal ho, w.a.
200625,1%40,8%50,3%67,5%
200730,0%42,0%49,2%67,9%
200826,6%37,6%45,6%66,0%
200927,4%34,3%41,9%63,5%
201027,2%36,2%42,7%63,2%

w.a.: studenten met een westerse achtergrond
n.w.a.: Studenten met een niet-westerse achtergrond

Bron:1cijferHO,DUO;bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (228 bytes)

Studiesucces: aantal diploma’s

We kunnen niet alleen naar de percentages afgestudeerden, het rendement, kijken maar ook naar het aantal diploma’s dat per jaar is behaald. Dit is ongeacht wanneer een student gestart is met de opleiding.

Het totaal aantal diploma’s liep in 2012 terug. Dat jaar zijn 650 minder diploma’s uitgegeven dan in het jaar ervoor. Na 2012 worden er weer iets meer diploma’s uitgegeven. In 2015 waren dat er 3.072.

Figuur B31: Jaarlijks aantal diploma’s aan bekostigde tweedegraads-lerarenopleidingen hbo, naar voltijd, deeltijd en totaal, 2010-2015

Figuur B31: Jaarlijks aantal diploma’s aan bekostigde tweedegraads-lerarenopleidingen hbo, naar voltijd, deeltijd en totaal, 2010-2015
voltijddeeltijdtotaal
2010143514182853
2011167416183292
2012130113412642
2013152412742798
2014171112492960
2015172913433072
Bron:1cijferHO,DUO;bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (152 bytes)

Als we kijken naar de verschillende disciplines dan zien we in Figuur B32 dat het hoogste aantal  diploma’s wordt afgegeven voor maatschappijvakken, gevolgd door de talen en vervolgens de exacte vakken. Deze disciplines maken in 2015 respectievelijk 36 procent, 31 procent en 17 procent uit van het totaal aantal diploma’s in de sector Onderwijs. Het aantal diploma’s bij de exacte vakken is tussen 2006 en 2015 toegenomen, dat geldt ook voor de disciplines ‘talen’ en ‘maatschappijvakken’ (alleen voltijd). In 2011 zien we een piek in het aantal diploma’s bij deze disciplines.

Het aantal diploma’s in de beroepsgerichte en groene vakken in 2015 is in vergelijking met 2006 afgenomen. Zij maken in 2015 respectievelijk 12 procent en 3 procent uit van het totaal. Bij de groene vakken zien we in 2012 een opvallend klein aantal behaalde diploma’s.

Figuur B32: Jaarlijks aantal diploma’s aan bekostigde tweedegraads-lerarenopleidingen hbo, (voltijd en deeltijd samen) per discipline, 2010-2015

Figuur B32: Jaarlijks aantal diploma’s aan bekostigde tweedegraads-lerarenopleidingen hbo, (voltijd en deeltijd samen) per discipline, 2010-2015 Bron: BRON-HO; DUO, bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2017
201020112012201320142015
talen800909796815877943
maatschappij9651218951101610841118
exact464554477476511528
beroepsgericht523514409417395379
groen1019797493104
Brontabel als csv (202 bytes)

Baan

Voor de afgestudeerden uit deze subsector liepen de kansen op een baan iets terug. Deze kleine vermindering van kansen houdt aan voor voltijd studenten, maar niet voor deeltijdstudenten. Zie Figuur B33.

De kansen voor afgestudeerden uit deeltijdopleidingen op een baan in dezelfde richting als de studie en een baan op niveau zijn beter dan voor afgestudeerden van voltijdopleidingen. Een mogelijke verklaring is dat veel deeltijdstudenten tijdens hun studie al als leraar aan een school werken.

Van de voltijdstudenten die in 2013/2014 afstudeerden in het totale hoger onderwijs (hbo bachelor) heeft 94 procent binnen achttien maanden een baan. Bij de tweedegraads-lerarenopleidingen was dat 95 procent. 78 procent van de voltijd studenten in het hoger onderwijs (hbo bachelor) heeft een baan op niveau en 75 procent van de studenten heeft ook in baan in de aan de studie verwante richting.  Onder studenten van tweedegraads-lerarenopleidingen was dat respectievelijk 90 en 93 procent.

Figuur B33: Percentage afgestudeerden in de bekostigde tweedegraads-lerarenopleidingen hbo dat binnen achttien maanden na afstuderen een baan heeft, een baan heeft in de richting van de opleiding en een baan heeft op niveau, 2007/2008-2013/2014

Figuur B33: Percentage afgestudeerden in de bekostigde tweedegraads-lerarenopleidingen hbo dat binnen achttien maanden na afstuderen een baan heeft, een baan heeft in de richting van de opleiding en een baan heeft op niveau, 2007/2008-2013/2014
baan in richting vtbaan binnen achttien maanden vtbaan op niveau vtbaan binnen achttien maanden dtbaan in richting dtbaan op niveau dt
2007/200890,50%99,20%90,70%96,60%92,30%94,90%
2008/200991,60%97,40%92,70%98,20%91,80%94,00%
2009/201092,10%97,30%91,40%98,60%93,30%94,50%
2010/201191,90%97,80%94,20%97,60%93,40%90,30%
2011/201287,30%95,20%89,70%96,50%90,50%93,10%
2012/201386,70%94,40%89,20%98,00%92,80%93,60%
2013/201490,40%94,80%93,00%96,20%95,70%
Bron: HBO-monitor 2016, ROA, bewerkt door de Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (507 bytes)

Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs (CDHO)

De Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs (CDHO) beoordeelt de macrodoelmatigheid van de opleidingen in het hoger onderwijs. Ten behoeve hiervan wil de CDHO een goed inzicht krijgen in de trends en de ontwikkelingen in de verschillende sectoren in het hoger onderwijs. Eind 2017 is in dit kader de sectoranalyse Onderwijs gepubliceerd. Een belangrijk onderdeel van deze sectoranalyse betrof inzicht in de arbeidsmarktperspectieven op de korte en langere termijn voor afgestudeerden in de sector Onderwijs. Met name hoofdstuk 4 “arbeidsmarktsituatie na afstuderen”, hoofdstuk 5 “samenstelling arbeidsmarkt” en het hoofdstuk 6 “arbeidsmarktperspectieven” sluiten aan bij het sectorbeeld Onderwijs van de inspectie. Zowel IvhO als CDHO maken analyses van onderwijssectoren. Beiden belichten vanuit hun eigen taak, andere invalshoeken van de sectoren. De producten sluiten op elkaar aan en sinds 2016 wordt afstemming gezocht over de keuze voor een sector, indeling van opleidingen, en definities. In de toekomst zal waar mogelijk ook afstemming gezocht worden voor conclusies, publicatiemoment en vervolg na publicatie.
Download de sectoranalyse Onderwijs van de CDH.