Uitval studenten

Als studenten na een eerste jaar in een opleiding niet meer staan ingeschreven in het bekostigd hoger onderwijs worden zij gerekend tot de groep van uitvallers.

De jaartallen in de figuren geven het jaar waarop studenten gestart zijn. Uitvallers zijn in de loop van dat studiejaar hun opleiding gestaakt en daarmee aan begin van het volgende studiejaar een uitvaller.

Studenten sector Onderwijs vallen vaker uit

Hbo-bachelorstudenten in de sector Onderwijs vallen vaker uit dan hbo-bachelorstudenten in het totale hoger onderwijs. In de gehele gemeten periode vertoont de uitval een redelijk stabiel verloop in zowel de sector als het totale hoger onderwijs. Wel is er sprake van een kleine daling bij beiden bij studenten die in het jaar 2012 zijn gestart (naar 16 procent in de sector Onderwijs en 18,5 procent in het totale hoger onderwijs). Een daling is op zichzelf gunstig, want dat betekent dat er minder studenten uitvallen.

Bij het onderwerp instroom werd duidelijk dat in de sector Onderwijs relatief veel studenten instromen die eerst aan een andere studie zijn begonnen (al dan niet afgerond met een diploma). Dit ligt op 60 procent in 2016 en neemt over de jaren toe. In het totale hoger onderwijs is dat 45 procent (2016). Onderzoek van het SCP (Wikken en wegen in het hoger onderwijs, blz. 58, 2016) heeft laten zien dat switch een voorspeller is van uitval. Omdat veel van de indirect instromende studenten switchers zijn, kan de grote groep indirect instromende studenten gelinkt zijn aan de uitval in deze sector die hoger is dan in het totale hoger onderwijs.

Bij wo-masteropleidingen in de sector Onderwijs vallen meer studenten uit dan bij de wo-masteropleidingen in het totale hoger onderwijs. In 2014 is de uitval in de sector Onderwijs meer dan twee keer zo hoog, namelijk 12 procent tegenover ruim 5 procent in het totale hoger onderwijs. Zowel in de sector Onderwijs als in het totale hoger onderwijs daalt de uitval uit wo-masteropleidingen in de loop van de jaren.

Figuur 3.1: Percentage uitval uit het bekostigde onderwijs naar hbo-bachelor- en wo-masteropleidingen in de sector (bekostigd, respectievelijk hbo bachelor en wo master), 2010-2014

Figuur 3.1: Percentage uitval uit het bekostigde onderwijs naar hbo-bachelor- en wo-masteropleidingen in de sector (bekostigd, respectievelijk hbo bachelor en wo master), 2010-2014
sector onderwijs hbo batotaal ho hbo basector Onderwijs wo matotaal ho wo ma
201020,2%16,2%15,6%7,1%
201120,6%17,7%13,7%5,6%
201218,5%16,1%12,5%5,2%
201320,4%17,2%13,3%5,8%
201421,0%17,4%11,7%5,4%
Bron: 1cijferHO, DUO; bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (227 bytes)

Veel uitval bij 2e graads hbo

Binnen de sector Onderwijs zijn veel bekostigde voltijd hbo-bacheloropleidingen. De uitval van deze opleidingen komt daarom overeen met het sectorgemiddelde. Bekijken we de verdeling van deze opleidingen, dan valt op dat de tweedegraads lerarenopleidingen hbo de hoogste uitval hebben, namelijk bijna 24 procent in het jaar 2014 (zie Figuur 3.1).

De laagste uitval bij voltijd hbo-bacheloropleidingen is bij lerarenopleidingen kunst/ lichamelijke opvoeding, zoals Figuur 3.2 laat zien. Met 14 procent ligt de uitval van studenten uit deze opleidingen onder het gemiddelde van de uitval van de voltijd hbo-bacheloropleidingen in het totale hoger onderwijs. Beide andere subsectoren met hbo-bacheloropleidingen liggen boven dit gemiddelde en hebben dus meer uitval.

De pabo-opleidingen kennen tot 2014 een hoger uitvalpercentage dan gemiddeld in voltijd hbo-bacheloropleidingen. (zie figuur 3.2). De invoering van de vooropleidingseisen lijkt er voor gezorgd te hebben dat de uitval in het eerste jaar is gedaald: van 21 procent in 2014/2015 naar 13 procent in 2015/2016.

We zien in Figuur 3.2 de studentuitval bij de ulo’s hoog is in vergelijking met andere wo-master opleidingen in het hoger onderwijs. Daarentegen is de uitval bij de ulo’s laag als deze vergeleken worden met de andere lerarenopleidingen. In 2014 valt bij de ulo’s net iets minder dan 12 procent van de studenten uit. Voor de voltijd wo-masteropleidingen in het totale hoger onderwijs is dat bijna 6 procent. De uitval uit de ulo’s is afgenomen, waardoor het verschil met het totale hoger onderwijs in de loop van de jaren kleiner wordt.

Figuur 3.2: Percentage uitval in bekostigde voltijd hbo-bacheloropleidingen en bekostigde voltijd wo-masteropleidingen, naar subsectoren, sector en het totale hoger onderwijs (respectievelijk bekostigd voltijd hbo bachelor en bekostigd voltijd wo master), 2010-2014

Figuur 3.2: Percentage uitval in bekostigde voltijd hbo-bacheloropleidingen en bekostigde voltijd wo-masteropleidingen, naar subsectoren, sector en het totale hoger onderwijs (respectievelijk bekostigd voltijd hbo bachelor en bekostigd voltijd wo master), 2010-2014
pabo2e graads hbo1e graads kunst/loulosector Onderwijs vt hbo batotaal ho vt hbo batotaal ho vt wo ma
201018,60%23,90%17,30%15,60%20,20%16,20%7,10%
201119,10%24,90%15,00%13,70%20,60%17,70%5,60%
201217,80%20,40%15,60%12,50%18,50%16,10%5,20%
201320,20%22,40%14,60%13,30%20,40%17,20%5,80%
201420,90%23,50%14,10%11,70%21,00%17,40%5,40%
Bron: 1cijferHO, DUO; bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (380 bytes)

Het uitvalpercentage bij de deeltijd hbo-bacheloropleidingen in de sector Onderwijs is ongeveer gelijk aan de gemiddelde uitval van deeltijd hbo-bacheloropleidingen in het hoger onderwijs.

Binnen de sector Onderwijs is het uitvalpercentage bij de voltijd hbo-opleidingen lager dan bij de deeltijdopleidingen hoger. In 2014 valt 21 procent van de voltijd bachelorstudenten uit en 24 procent van de deeltijd bachelorstudenten. In eerdere jaren was het verschil tussen voltijd en deeltijd groter.

Het verschil in tussen voltijd en deeltijd in de sector Onderwijs wordt bepaald door het grote verschil in uitval in de voltijd en deeltijd pabo-opleidingen. In 2014 valt 21 procent van de studenten uit bij de voltijd pabo opleidingen en bij de opleidingen in deeltijd 30 procent. Dat is hoger dan dat van de deeltijdopleidingen in andere subsectoren. In de drie jaren daarvoor lag de uitval zelfs nog hoger, namelijk op 35 procent.  In 2015 is dit verschil in uitval tussen voltijd en deeltijd bij pabo-opleidingen nog iets toegenomen. Bij beide opleidingsvarianten, maar vooral in de voltijdopleiding is de uitval gedaald, naar respectievelijk 28 procent en 13 procent.

De deeltijd lerarenopleidingen kunst/lichamelijke opvoeding hebben de minste uitvallende studenten, namelijk 16 procent uitval. Bij deze opleidingen is het uitvalpercentage van voltijd en deeltijd gelijk.

De analyses van de hbo-masteropleidingen zijn alleen gebaseerd op de opleidingen deeltijd, vanwege het geringe aantal studenten in de voltijdvarianten. Het verloop van de uitval vertoont gedurende de afgelopen vijf jaar weinig verschil tussen de masteropleidingen bij zowel de eerstegraads hbo-masteropleidingen als de masteropleidingen professionalisering.

Opvallend is wel de scherpe daling van de uitval bij de eerstegraads hbo-masteropleidingen in 2014. In eerdere jaren is de uitval bij deze opleidingen steeds hoger dan het gemiddelde van de sector (hbo ma deeltijd). In 2014 is de uitval bij deze opleidingen met bijna 15 procent echter lager dan het gemiddelde van 17 procent in de sector.

Meer uitval van pabo studenten met mbo-achtergrond

Bij de bekostigde voltijd hbo-bacheloropleidingen in de sector Onderwijs valt ongeveer 5 procent meer studenten uit dan gemiddeld in het hoger onderwijs. Dit verschil zien we ook terug wanneer we onderscheid maken naar vooropleiding. Voor studenten met een mbo-vooropleiding geldt in 2014 dat van degenen die hebben gekozen voor een opleiding in de sector Onderwijs 5 procent meer uitvalt dan de mbo’ers in het totale hoger onderwijs.

Zowel in de sector Onderwijs als in het totale hoger onderwijs vallen studenten met een mbo-vooropleiding vaker uit dan studenten met een havo-vooropleiding. Het uitvalpercentage van havisten en mbo’ers is wel stabiel. Ook dit geldt voor zowel de sector Onderwijs als het totale hoger onderwijs.

Tot en met 2014 is de uitval van pabo studenten hoog bij met name studenten met een mbo-vooropleiding. De uitval van de mbo’ers is hoger dan het gemiddelde uitvalpercentage in de sector, terwijl havisten minder uitvallen dan gemiddeld in de sector. Dit is te zien in Figuur 3.3. De uitval van de mbo’ers is twee keer zo hoog als dat van de havisten bij de pabo-opleidingen. Na de invoering van nadere vooropleidingseisen voorafgaand aan de studie, is de uitval van mbo’ers in de pabo sterk gedaald. De uitval van die groep is ruim gehalveerd en ligt nu bijna op het niveau van de havisten.

De uitval van studenten met een havo-vooropleiding is niet alleen ten opzichte van het totale hoger onderwijs relatief laag bij de pabo-opleidingen, maar ook in vergelijking met de andere hbo-bacheloropleidingen in deze sector. Het aantal studenten met een havo-vooropleiding dat uitvalt is na 2014 bovendien licht gedaald.

Figuur 3.3: Percentage uitval in de bekostigde voltijd pabo en het totale hoger onderwijs (bekostigd voltijd hbo bachelor) naar vooropleiding, 2010-2014

Figuur 3.3: Percentage uitval in de bekostigde voltijd pabo en het totale hoger onderwijs (bekostigd voltijd hbo bachelor) naar vooropleiding, 2010-2014
pabo, mbopabo, havopabo, vwototaal ho, mbototaal ho, havototaal ho, vwo
201024,7%13,3%4,3%24,9%15,5%5,1%
201126,3%13,2%3,9%25,6%15,3%4,2%
201224,5%10,8%5,1%23,7%13,4%4,7%
201326,6%12,1%2,7%24,8%13,8%3,5%
201427,7%13,5%4,6%24,9%15,4%4,7%
Bron: 1cijferHO, DUO; bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (279 bytes)

In figuur 3.4 zien we dat er een verschil in uitval is bij de subsector tweedegraads hbo tussen studenten met een mbo-of een havo-vooropleiding, maar dit verschil is niet zo groot als het verschil tussen beide studentengroepen in het totale hoger onderwijs. Daar is de uitval onder mbo’ers tien procentpunt hoger dan bij de havisten. Waar de mbo’ers in deze subsector qua uitval dus ongeveer op hetzelfde niveau zitten, vallen de havisten hier vaker uit dan in het totale hoger onderwijs.

Figuur 3.4: Percentage uitval in de bekostigde voltijd 2e graads lerarenopleidingen en het totale hoger onderwijs (bekostigd voltijd hbo bachelor) naar vooropleiding, 2010-2014

Figuur 3.4: Percentage uitval in de bekostigde voltijd 2e graads lerarenopleidingen en het totale hoger onderwijs (bekostigd voltijd hbo bachelor) naar vooropleiding, 2010-2014
2e graads hbo, mbo2e graads hbo, havo2e graads hbo, vwototaal ho, mbototaal ho, havototaal ho, vwo
201027,1%17,9%13,5%24,9%15,5%5,1%
201129,7%18,9%8,3%25,6%15,3%4,2%
201225,2%16,1%3,9%23,7%13,4%4,7%
201324,3%16,2%9,3%24,8%13,8%3,5%
201426,0%19,0%6,7%24,9%15,4%4,7%
Bron: 1cijferHO, DUO; bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (307 bytes)

De uitval van (voltijd) studenten met een mbo-achtergrond is bij de lerarenopleidingen kunst/lichamelijke opvoeding (14%) lager dan bij de tweedegraads lerarenopleidingen (26%) en pabo’s (28%). De uitval van mbo’ers bij de lerarenopleidingen kunst/ lichamelijke opvoeding daalt ook steeds verder.

Steeds meer mannen vallen uit bij pabo

De analyses van uitval naar geslacht hebben betrekking op de bekostigde voltijd hbo-bacheloropleidingen, omdat voor deze categorie voldoende gegevens bekend zijn.

In het totale hoger onderwijs bedraagt de uitval van mannelijke studenten ongeveer 20 procent. Dit uitvalpercentage is de afgelopen jaren redelijk stabiel. In de sector Onderwijs is de uitval van mannelijke studenten hoger, namelijk ongeveer 25 procent. Ook het percentage uitval onder de vrouwen in de sector Onderwijs is met 19 procent hoger dan gemiddeld van de vrouwen in het stelsel (15%). Ook deze percentages zijn de afgelopen jaren vrijwel gelijk gebleven.

Alleen in het jaar 2012 vielen iets minder studenten uit, zoals Figuur 3.5 laat zien. Dat gold voor mannen en vrouwen in de sector Onderwijs én in het totale hoger onderwijs. Bij de mannen in de sector Onderwijs was deze vermindering van uitval het sterkst; de uitval was 22 procent.

De uitval van studenten bij de pabo-opleidingen was in 2014 bij de mannen heel hoog: 29 procent. Dat is ruim boven het gemiddelde in het hoger onderwijs. Dit is te zien in Figuur 3.5. In 2012 viel nog 24 procent van de mannen uit bij de pabo-opleidingen.

Figuur 3.5: Percentage uitval naar geslacht, in bekostigde voltijdopleidingen van de subsector pabo, sector en het totale hoger onderwijs (bekostigd voltijd hbo bachelor), 2010-2014

Figuur 3.5: Percentage uitval naar geslacht, in bekostigde voltijdopleidingen van de subsector pabo, sector en het totale hoger onderwijs (bekostigd voltijd hbo bachelor), 2010-2014
man, paboman, sector Onderwijsman, totaal hovrouw, pabovrouw, sector Onderwijsvrouw, totaal ho
201024,9%24,8%18,2%17,1%17,9%14,3%
201126,7%25,6%19,8%17,3%17,9%15,5%
201223,8%22,0%18,0%16,2%16,5%14,1%
201328,6%25,0%19,6%17,7%17,7%14,9%
201429,0%25,4%20,0%18,4%18,5%14,8%
Bron: 1cijferHO, DUO; bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (312 bytes)

Studenten met niet-westerse achtergrond vallen vaker uit

Studenten met een niet-westerse achtergrond in de sector Onderwijs in bekostigde voltijd hbo-bacheloropleidingen vallen vaker uit dan in het totale hoger onderwijs.

Bij pabo-opleidingen zien we tot 2014 een groot verschil in het percentage studenten met een niet-westerse achtergrond dat uitvalt en het percentage uitval bij studenten met een westerse achtergrond. Het verschil is hier bijna 9 procentpunt, zo is te zien in Figuur 3.6. Bij de tweedegraads lerarenopleidingen hbo is dit verschil maar ruim 1 procentpunt. Het verschil in uitval tussen studenten met een westerse achtergrond en studenten met een niet-westerse achtergrond in de pabo is vrijwel geheel verdwenen in 2015. De uitval van de (relatief kleine) groep studenten met een niet-westerse achtergrond is dan gehalveerd en ligt rond de 15 procent, terwijl de uitval van studenten met een westerse achtergrond op 13 procent ligt.

Figuur 3.6: Percentage uitval in bekostigde voltijd hbo-bacheloropleidingen naar etniciteit, in subsectoren en het totale hoger onderwijs (bekostigd voltijd hbo bachelor), 2010-2014

Figuur 3.6: Percentage uitval in bekostigde voltijd hbo-bacheloropleidingen naar etniciteit, in subsectoren en het totale hoger onderwijs (bekostigd voltijd hbo bachelor), 2010-2014
pabo, n.w.a.pabo, w.a.2e graads, hbo n.w.a.2e graads hbo, w.a.totaal ho, n.w.a.totaal ho, w.a.
201029,2%17,7%22,9%24,1%18,6%15,7%
201129,0%18,2%27,9%24,3%21,0%16,9%
201229,9%16,6%22,7%19,8%19,0%15,5%
201333,4%18,8%25,8%21,6%21,7%16,3%
201428,7%20,1%24,5%23,2%21,5%16,5%

n.w.a.: studenten met een niet-westerse achtergrond
w.a.: studenten met een westerse achtergrond

Bron: 1cijferHO, DUO; bewerkingen Inspectie van het Onderwijs, 2016 Brontabel als csv (313 bytes)