De uitkomst van het vierjaarlijks onderzoek bepaalt hoe het vervolgtoezicht op het bestuur en de scholen eruitziet. Van vervolgtoezicht is sprake als wij vaststellen dat er iets moet worden hersteld of verbeterd. Is alles op orde, dan komen we in principe pas na vier jaar opnieuw langs bij het bestuur.

Maatwerk

Bij de bepaling van het vervolgtoezicht kijken we naar de specifieke situatie bij het bestuur of de school. Bijvoorbeeld het aantal scholen onder het bestuur, de omvang van de scholen, de ontwikkeling van de kwaliteit en de kwaliteitszorg, de ernst van de eventuele tekortkomingen en risico’s, en de toezichtgeschiedenis. Met andere woorden: het vervolgtoezicht is maatwerk.

Vier scenario’s

Bij de inrichting van het vervolgtoezicht zijn er vier mogelijke scenario’s, met verschillende uitkomsten. Zie ook het onderzoekskader 2017, per sector.

Scenario 1: Kwaliteitszorg op orde en geen tekortkomingen bij scholen

Uitkomst: vertrouwen, geen vervolgonderzoek
In het gunstigste scenario is alles op orde: de kwaliteitszorg en het financieel beheer van het bestuur zijn op orde, en er zijn geen of maar heel beperkte tekortkomingen. Dan spreken we vertrouwen uit in het bestuur en komen we in principe na vier jaar opnieuw langs. Tussentijds kan het bestuur nog eenmalig een gesprek met de inspectie aanvragen, om de stand van zaken en eventuele nieuwe ontwikkelingen uit te wisselen.

Scenario 2: Kwaliteitszorg op orde, maar tekortkomingen bij scholen

Uitkomst: afspraken met bestuur over eigen rol bij kwaliteits- en/of herstelonderzoek
Een ander scenario speelt als we tekortkomingen op schoolniveau hebben geconstateerd, terwijl de kwaliteitszorg en het financieel beheer van het bestuur wel op orde zijn. Dan kan het bestuur een eigen rol krijgen bij het vervolgtoezicht. We formuleren dan herstelopdrachten voor de scholen, en spreken met het bestuur af wat het bestuur zelf onderzoekt en wat de inspectie doet. De precieze rolverdeling hangt af van de situatie.  Wat is de omvang van de tekortkomingen? Wat is de impact als de situatie niet snel wordt hersteld?

Scenario 3: Kwaliteitszorg niet op orde

Uitkomst: herstelonderzoek door de inspectie
Als een bestuur de kwaliteitszorg niet op orde heeft, dan leggen wij het bestuur een herstelopdracht op. Verbetering van de kwaliteitszorg is dan een belangrijk onderdeel van die opdracht. Alle herstelonderzoeken voert de inspectie uit, zowel bij het bestuur als bij scholen met tekortkomingen. In dit scenario is de kans namelijk groot dat de tekortkomingen bij de onderzochte scholen niet op zichzelf staan. 

Scenario 4: financieel beheer niet op orde

Uitkomst: combinatie
Bij besturen die de kwaliteitszorg op orde hebben maar het financieel beheer niet, combineren we de mogelijkheden. Het bestuur krijgt enige ruimte om kwaliteitsverbeteringen zelf vorm te geven, maar de inspectie voert herstelonderzoek uit naar de verbetering van het financieel beheer. 

Herstelonderzoek

In de volgende gevallen voert de inspectie zelf een heronderzoek uit:

  • bij een zeer zwakke school/opleiding
  • bij een onvoldoende school/opleiding
  • bij een opleiding met onvoldoende examenkwaliteit (mbo)
  • bij onvoldoende kwaliteitszorg op bestuursniveau
  • bij onvoldoende financieel beheer.

Zicht op herstel en verbetering

In het rapport van het vierjaarlijks onderzoek staan ook de afspraken met het bestuur. Die omvatten in ieder geval de taakverdeling tussen het bestuur en de inspectie en de termijnen waarbinnen eventuele tekortkomingen moeten zijn hersteld. De afspraken kunnen tussentijds worden bijgesteld als het verloop van het herstel en van mogelijke nieuwe ontwikkelingen daartoe aanleiding geven. 

Maatregelen bij tekortkomingen

Als wij tekortkomingen aantreffen bij een bestuur of een school, dan kunnen wij maatregelen treffen (interventies toepassen) voor het laten herstellen van de tekortkoming. Deze maatregelen variëren van het geven van een waarschuwing of herstelopdracht tot – in het uiterste geval – het inhouden van een deel van de bekostiging. Tekortkomingen gaan altijd over het niet naleven van wet- en regelgeving.

Verhouding tekortkoming-maatregel

De maatregel moet natuurlijk wel passen bij de zwaarte van de tekortkoming. Bijvoorbeeld: bij het ontbreken van een wettelijk verplicht onderdeel in de schoolgids past geen melding aan de minister. Daarom heeft de inspectie een kader opgesteld dat helpt bij het bepalen van de soort maatregel. Dit kader noemen wij de escalatieladder.

De escalatieladder

De escalatieladder is ingedeeld in vijf fasen, A tot en met E, waarin A de minst urgente is en E de zwaarste. Op grond van de hoeveelheid en de ernst van de tekortkomingen die de inspectie heeft geconstateerd wordt de casus in één van de fasen ingedeeld en wordt de bijpassende maatregel bepaald.

De belangrijkste overwegingen bij het bepalen van de fase zijn dezelfde als die de grondslag vormen voor het Onderzoekskader: leren de leerlingen genoeg, krijgen ze goed les, zijn ze veilig en is er sprake van goed financieel beheer?

In fase A gaat het dan om een (paar) kleine tekortkoming(en) die geen of nauwelijks risico opleveren en zal de interventie beperkt zijn tot bijvoorbeeld een herstelopdracht. De ladder bouwt vervolgens verder op naar fase D waarin sprake is van ernstig en/of langdurig risico of zelfs gerealiseerde schade; denk daarbij bijvoorbeeld aan een oordeel ‘zeer zwak’. De inspectie zet dan middelen in zoals het scherp monitoren van een zeer zwakke school tot deze zich voldoende verbeterd heeft.

Als het verantwoordelijke inspectieteam dat nodig vindt, kan het een voorstel doen voor het inzetten van een specifiek onderzoek (d.w.z. een onderzoek waarbij –ook- gebruik gemaakt wordt van onderzoeksmodules die geen vast onderdeel zijn van het Onderzoekskader, zoals een module over Sociale Veiligheid of Bestuurlijk Handelen). Een dergelijk onderzoek kan, net als een regulier onderzoek, zo nodig ook onaangekondigd plaatsvinden (WOT artikel 11, lid 5); het besluit over een specifiek onderzoek wordt minimaal op het niveau van een directeur genomen.

Het kan gebeuren dat een situatie zó ernstig is, dat er maatregelen genomen moeten worden die buiten de bevoegdheid van de inspectie vallen, bijvoorbeeld het geven van een aanwijzing of het stopzetten van de bekostiging (we hebben het dan over fase E). In die gevallen is het aan de minister om te besluiten wat er moet gebeuren. Als dat zich voordoet, draagt de inspectie de regie over aan het departement en beperkt zich tot een adviserende rol.  

De escalatieladder is een intern hulpmiddel bij het bepalen van de ernst van situaties, bij het bepalen van een bijpassende maatregel en bij de communicatie daarover met het ministerie. De ladder hoeft niet vanaf het begin en ook niet in volgorde te worden afgelopen; we kijken bij ieder dossier (steeds opnieuw) in welke fase dit verkeert.

Wat de inspectie bij haar toezicht heeft gezien en hoe ze dat beoordeelt, is terug te vinden in de rapporten die op de website zoek&vergelijk worden gepubliceerd.