Doet het voortgezet onderwijs jongens tekort?

Aan het einde van het primair onderwijs zijn de verschillen tussen jongens en meisjes nog beperkt. Maar gaandeweg hun schoolloopbaan in het voortgezet onderwijs nemen de verschillen toe en presteren jongens aanzienlijk slechter dan meisjes. Ze stromen vaker af, minder vaak op en blijven vaker zitten. Ook worden ze veel vaker dan meisjes geschorst of verwijderd. Ligt het aan de jongens zelf of schiet het voortgezet onderwijs voor jongens tekort?

Beperkte verschillen in het primair onderwijs

In het primair onderwijs zijn de verschillen tussen jongens en meisjes nog beperkt. Jongens lopen iets vaker vertraging op en worden vaker doorverwezen naar het speciaal (basis)onderwijs dan meisjes, maar niets wijst erop dat jongens het in het voortgezet onderwijs minder goed doen. Op de Centrale Eindtoets scoren jongens en meisjes gemiddeld even hoog. Wel zijn jongens beter in rekenen en meisjes beter in taal. Ook hebben beide groepen een even grote kans op een havo-advies of hoger (circa 50%).

Minder vaak nominale schoolloopbaan voor jongens

Jongens behalen minder vaak dan meisjes een diploma op hun adviesniveau binnen de tijd die hiervoor staat. Zo behaalt 54% van de jongens met een vmbo gt-advies in 4 jaar een diploma op ten minste dit niveau, tegen 65% van de meisjes. Bij leerlingen met een ander advies zijn de verschillen vergelijkbaar.

Percentage leerlingen met vmbo-gt advies dat een jaar succesvol afsluit, cohort 2011
Aantal jaarjongensmeisjes
Begin100100
Na 1 jaar96,998,5
Na 2 jaar67,279,2
Na 3 jaar59,573,1
Na 4 jaar53,966,4
Brontabel als csv (128 bytes)

Jongens vaker onder adviesniveau in leerjaar 3

Na 2 leerjaren blijkt dat jongens er minder vaak in slagen om het onderwijsniveau van het schooladvies op de basisschool te behalen. Van de jongens is 15% in het 3e leerjaar afgestroomd naar een lager niveau, tegenover 9% van de meisjes. Ook stromen jongens minder vaak op (11%van de jongens, tegen 17% van de meisjes). Hierdoor staan ze vaker dan meisjes ingeschreven op het beroepsonderwijs en minder vaak op havo en vwo. Daarnaast zit 3,3% van de jongens op het praktijkonderwijs, tegenover 2,4% van de meisjes.

Plaatsing leerjaar 3 (eerste keer), 2017, naar geslacht
JongenMeisje
Afgestroomd ten opzichte van advies158,9
Laagste onderwijssoort binnen dubbel advies86,2
Plaats in leerjaar 3 gelijk aan advies59,658,9
Hoogste onderwijssoort binnen dubbel advies6,28,3
Opgestroomd t.o.v. advies11,317,6
Inspectie van het Onderwijs Brontabel als csv (255 bytes)

Jongens lopen vaker vertraging op

Jongens blijven vaker zitten dan meisjes. Zo blijft jaarlijks ongeveer 5% van de jongens in de onderbouw zitten, tegenover 3% van de meisjes. Ook in de bovenbouw blijven jongens vaker zitten. In havo 4, waar doubleren het vaakst voorkomt, blijft 17% van de jongens zitten, terwijl 13% van de meisjes doubleert.

Zittenblijven in het leerjaar voor het examen, naar geslacht, 2017
Zittenblijven in percentage
Vmbo-b 3: jongens6,7
Vmbo-b 3: meisjes6,1
Vmbo-k 3: jongens4,1
Vmbo-k 3: meisjes3
Vmbo-gt 3: jongens8,9
Vmbo-gt 3: meisjes6,3
Havo 4: jongens16,9
Havo 4: meisjes12,7
Vwo 5: jongens10,8
Vwo 5: meisjes9,4
Brontabel als csv (253 bytes)

Niet uit het oog verliezen

Verschillen tussen groepen in het onderwijs zijn niet nieuw. Wel zien we bij jongens en meisjes dat deze verschillen na het basisonderwijs flink toenemen in het voortgezet onderwijs. 2 jaar later is er een duidelijke kloof ontstaan. Ligt het aan de jongens zelf of faalt het voortgezet onderwijs in het onderwijs aan jongens? Is het onderwijs misschien vormgegeven op een manier die beter uitpakt voor meisjes dan voor jongens? Het is de hoogste tijd uit te zoeken hoe het zit en manieren te bedenken om de kloof te dichten.