Achterblijvende resultaten havo verdienen extra aandacht

De positie van de havo in het voortgezet onderwijs verdient bijzondere aandacht. Op tal van aspecten doen de prestaties onder voor andere onderwijssoorten. Zo stromen havoleerlingen vaker af, minder vaak op en blijven ze vaker zitten. Hoe dit komt is al jaren onderwerp van onderzoek en discussie.

Prestaties blijven achter

De havo valt in negatieve zin op. Wij zien dat relatief weinig leerlingen met een havo-advies binnen 5 jaar een havodiploma halen. Het gaat om 40%, terwijl van de leerlingen met een vmbo-t advies 60% binnen 4 jaar een diploma op niveau heeft. Ten opzichte van andere onderwijssoorten blijven havo-leerlingen het vaakst zitten. Absolute koploper is havo 4 waar 1 op de 7 leerlingen blijft zitten. Ook is het slagingspercentage op de havo het laagst van alle schoolsoorten: 88% tegen 93% op het vmbo-gt en 92% op het vwo.

Slagingspercentage per schoolsoort 2008-2018 (n 2018=198.740)
Vmbo-basisVmbo-kaderVmbo-gtHavoVwoTotaal
200896%95,70%94,10%89,30%92,20%93,10%
200996,30%94,40%94,50%86,80%91%92,10%
201096,20%94,40%93,70%85,50%89,20%91,10%
201195,40%94,40%92,60%85,50%88,80%90,50%
201296,00%93,40%90,30%86,70%87,30%89,80%
201396,70%93,40%91,40%88%91,90%91,40%
201496,90%94,90%93,40%87,90%89,70%91,80%
201597,60%95,20%94,30%87,40%92,30%92,60%
201697,80%95,80%94,10%88,60%91,20%92,70%
201798,10%96%92,80%87,20%91%91,90%
201897,80%95,20%92,50%87,70%91,50%91,90%
Inspectie van het Onderwijs Brontabel als csv (561 bytes)

Havo-afdelingen 2 keer zo vaak onvoldoende of zeer zwak

De onderwijssoort havo krijgt het vaakst de beoordeling onvoldoende of zeer zwak. Ruim 4% van de havo-afdelingen voldoet niet aan de basiskwaliteit, bij de andere schoolsoorten is dat rond de 2%. Onvoldoende betekent vaak dat de onderwijsresultaten of een of meer kernonderdelen van het onderwijsproces onder de maat zijn. Zeer zwak houdt in dat de onderwijsresultaten én een of meer kernonderdelen niet voldoen aan basiskwaliteit. Als de onderwijsresultaten onvoldoende zijn beoordeeld, komt dit bij de afdeling havo vooral doordat er te lage examencijfers worden gehaald en er te veel leerlingen blijven zitten of afstromen in de bovenbouw.

Oordelen naar schoolsoort
Vmbo-basisVmbo-kaderVmbo (g)tHavoVwo
Onvoldoende11,51,23,82,1
Zeer zwak0,810,30,50,2
Overig98,297,598,595,797,7
Totaal100100100100100

Resultaten in percentages per 1 januari 2019, n=3.085.

Brontabel als csv (164 bytes)

Divers gezelschap en weinig motivatie

We noemen 2 mogelijke verklaringen voor de zwakke prestaties. In de eerste plaats de heterogene samenstelling van de leerjaren 4 en 5. In deze klassen zit vaak een bont gezelschap van reguliere havoleerlingen, vwo-afstromers, vmbo-gediplomeerde opstromers en relatief veel zittenblijvers. Voor de docenten is het een hele opgave om aan alle verschillende praktische en theoretische onderwijsbehoeften tegemoet te komen. De tweede mogelijke verklaring is het vermeende gebrek aan motivatie van havoleerlingen. Docenten geven aan dat er sprake is van weinig discipline en motivatie. Leerlingen zouden gericht zijn op minimale prestaties en op praktisch nut.

Lage normen helpen niet mee

Maar het lijkt er ook op dat we de achterblijvende prestaties van de havo normaal zijn gaan vinden. En dat houdt vervolgens de achterblijvende prestaties in stand. Het helpt niet dat de inspectie voor de verschillende schoolsoorten verschillende normen hanteert bij de beoordeling van de onderwijsresultaten. Zo ligt de norm voor het bovenbouwsucces bij de havo op ongeveer 76%, terwijl die bij vmbo-gt op 81 en bij het vwo op 80% ligt. Daarmee sluiten we aan bij de feitelijke verschillen, maar dit wekt ook de indruk dat we de mindere prestaties van de havo acceptabel vinden.