Inge de Wolf: "Ik heb de allerleukste baan van Nederland"

Het is bijna zover: op 11 april wordt de nieuwste Staat van het Onderwijs gepresenteerd. Het is wederom een flink rapport met conclusies, bevindingen en inzichten over hoe het gesteld  is met het onderwijs in Nederland. Een van de drijvende krachten achter De Staat van het Onderwijs is projectleider Inge de Wolf. “Ik heb ontdekt dat de combinatie van toezicht en wetenschap heel bruikbaar is om het onderwijs te verbeteren.”

Inge is sinds 6,5 jaar betrokken bij de Staat van het Onderwijs. Ze is erg blij met deze rol. Inge: “Ik wil graag persoonlijk bijdragen aan de verbetering van het onderwijs. In deze functie ben ik een combinatie van inspecteur, wetenschapper en onderwijsverbeteraar. Ik heb de allerleukste baan van Nederland.”

In de afgelopen jaren zijn er belangrijke ontwikkelingen geweest bij De Staat van het Onderwijs. Inge: “Toen ik begon was De Staat van het Onderwijs vooral een rapport voor de Tweede Kamer. Een grote verandering is dat we ons veel meer zijn gaan richten op het onderwijsveld. Daarmee is de impact van het rapport heel erg vergroot. Leraren gaan ermee aan de slag. Ze vragen zich af wat zij zelf kunnen veranderen, hoe ze leerlingen beter kunnen helpen. Ik krijg er energie van als ik zie dat we mensen aan het denken zetten.”

Het maakproces van De Staat van het Onderwijs is intensief, vertelt Inge. “Het is altijd een combinatie van wat inspecteurs op de scholen zien aan ontwikkelingen in het Nederlandse onderwijs en wat naar voren komt uit onderzoeken en data-analyses. Pas op het moment dat beiden hetzelfde beeld laten zien vinden we een onderwerp stevig genoeg om het op te nemen in  De Staat van het Onderwijs.” Als voorbeeld noemt Inge het thema kansenongelijkheid, dat twee jaar geleden aan de orde werd gesteld. “Veel inspecteurs gaven daar al signalen over af. Met een groep onderzoekers zijn we gaan kijken of die signalen ook teruggevonden werden in de data. De analyses gaven precies hetzelfde beeld. Dan kun je er verder mee aan de slag.”

Wat in de Staat staat is dus altijd een combinatie van wat inspecteurs zien op scholen en opleidingen en resultaten van aanvullend onderzoek. Dit vraagt wel een nieuwe houding van inspecteurs. Hun omgevingsgerichtheid is van groot belang. Inge: “Als inspecteurs op scholen zijn moeten zij een open blik hebben. Ze moeten open staan voor problemen waar schoolleiders en leerkrachten tegenaan lopen. Inspecteurs zijn  meer buiten de eigen kaders en instrumenten gaan kijken zijn veel actiever gaan beschrijven wat er wel of niet goed gaat op scholen en opleidingen in Nederland. Het is belangrijk dat dit objectief gebeurt, het gaat om een neutrale beschrijving. Het is voor inspecteurs dus de kunst om buiten hun eigen toezichtkaders te denken en te kijken, maar tegelijkertijd niet alle zorgen op scholen klakkeloos over te nemen. Dit vraagt objectieve, stevige en analytische collega’s.”

Kill your darlings

Zoals gezegd wordt een onderwerp alleen opgenomen als er vanuit toezicht en vanuit onderzoek een eenduidig beeld is. Inge: “Soms is dat ook een kwestie van ‘kill your darlings’. Bijvoorbeeld als er wel signalen zijn, maar de ontwikkeling toch niet heel duidelijk is. Als we  het wel in het toezicht zien, maar het nog niet met data kunnen onderbouwen, dan schrappen we het toch. Soms zie je zo’n onderwerp dan een of twee jaar later alsnog terugkomen. Maar we willen iets eerst heel zeker weten voor we het in het rapport opnemen.”

Ook met de actualiteit gaat Inge terughoudend om. “In de media popt elk jaar wel een mogelijk nieuw thema op. Daar kunnen we meteen bovenop duiken, maar je loopt het risico dat het ook een soort hype is. Als inspectie moeten we het écht zeker weten. De kwaliteit en objectiviteit van De Staat van het Onderwijs is te belangrijk om met hypes mee te waaien.”

Een van de redenen om zo voorzichtig en zorgvuldig te zijn is de agenderende rol van De Staat van het Onderwijs. Inge: “We zijn ons daar heel bewust van. Daarom hebben we bijvoorbeeld een  zware wetenschappelijke commissie. We willen niet met hypes meegaan en ook geen politiek bedrijven. De Staat van het Onderwijs moet een neutrale beschrijving zijn van hoe het onderwijs zich ontwikkelt. De Raad van Advies kijkt ook altijd mee. Daarmee bespreken we de onderwerpkeuze. We zijn ons constant bewust van die agenderende rol.”

Ik krijg er energie van als ik zie dat we mensen aan het denken zetten.

Kerstpakket

De mogelijke onderwerpen en thema’s worden heel breed in het veld opgehaald. Inge: “We spreken met alle onderwijsorganisaties. Ook daar vloeien mogelijke thema’s voor het nieuwe jaar uit voort. Je ziet daar ook vaak dat bepaalde thema’s door iedereen genoemd worden. Dat was bijvoorbeeld het geval met de kansenongelijkheid.”
Als de onderwerpen eenmaal bepaald zijn, gaan Inge en haar team in gesprek met inspecteurs en onderzoekers. De grote vraag daarbij is: wat zien we nu echt?
Inge: “Voor ons is het vervolgens  de vraag of en hoe we de bevindingen hard kunnen maken. Er zijn ontzettend veel gegevens over leerlingen beschikbaar, onder andere dankzij de samenwerking met het CBS. Zodoende kunnen we goed bekijken of we dingen terugzien in de data.
De volgende stap is om de onderzoeksresultaten te bespreken met wetenschappers.
Inge: “De ruwe tekst van De Staat van het Onderwijs is in december af. Dat noemen we dan ons kerstpakket. In die tekst zit een redeneerlijn en grote brokken tekst. Vervolgens hebben we nog anderhalve maand nodig om die tekst helemaal goed te krijgen. In die anderhalve maand zijn we aan het puzzelen hoe we de inhoud verder kunnen verstevigen.”

De staat op maat

Het succes van De Staat van het Onderwijs blijkt alleen al uit het feit dat er steeds meer ‘staten van…’ worden gemaakt. Inge: “Er is bijvoorbeeld een vo-school die hun eigen Staat van het Voortgezet Onderwijs hebben gemaakt. Als zulke dingen gebeuren merk je wel dat je met iets goeds bezig bent. De uitdaging voor de inspectie is om er ook zelf mee aan de slag te gaan. Als je met de Staat anderen tot reflectie aanzet, moet je dat ook zelf durven doen. Ook als inspectie willen we  ervan leren. Monique Vogelzang benoemt dat ook in het voorwoord.”

Over de huidige vorm van De Staat van het Onderwijs – met de drie pijlers boek, congres en website, is Inge zeer tevreden. “Ik zie geen grote noodzaak om veel te veranderen. Wel hoop ik dat we nog meer gebruik gaan maken van de website. De website biedt mogelijkheden om De Staat van het Onderwijs meer ‘op maat’ te ontsluiten. Bijvoorbeeld met data per regio, of specifieke thema’s, of een specificatie per sector. Dat gaat makkelijker digitaal dan in een boek. Het lijkt me een mooie uitdaging voor de komende jaren.”