Arnold Jonk: “Bereid zijn om met elkaar aan de slag te gaan”

Arnold Jonk, plaatsvervangend Inspecteur-generaal bij de Inspectie van het Onderwijs, gaat wekelijks in gesprek over onderwerpen die in De Staat van het Onderwijs zijn aangekaart. “Ik steek er graag tijd in om te vertellen over wat we signaleren. Ik heb eigenlijk nog nooit ‘nee’ gezegd.”

“Je doet het altijd vanuit de hoop dat er iets gebeurt. Een vraagstuk agenderen is een ding. Dat er iets aan gedaan wordt weer iets heel anders, maar natuurlijk wel de bedoeling. Daar proberen we een rol in te spelen. Vier jaar geleden constateerden we bijvoorbeeld veel motivatieproblemen bij leerlingen. We hebben toen bijeenkomsten georganiseerd over de vraag hoe dat nou komt. Vervolgens hebben we de goede voorbeelden laten zien en het onderwerp in de volgende Staat van het Onderwijs laten terugkomen. Op die manier hopen we mensen te inspireren en het onderwerp levend te houden.”

Dat de Staat van het Onderwijs door zoveel mogelijk mensen tot in detail gelezen wordt is voor Arnold niet het belangrijkste. “De meeste mensen in het onderwijs krijgen via media op hoofdlijnen mee welke thema’s we in de Staat van het Onderwijs behandelen. We hebben zelf ook nieuwsbrieven, een website. Er zijn vakbladen. En als één boodschap lang blijft hangen hebben we het denk ik goed gedaan.

Aan meningen over het onderwijs is er geen gebrek, maar er is wel een tekort aan mensen die kunnen laten zien hoe het er voor staat. Die positie heeft de inspectie, als een van de weinigen.”

Peilstok

De feiten en cijfers uit De Staat van het Onderwijs worden dikwijls aangehaald in de gesprekken die Arnold Jonk voert. Arnold: “Er zijn veel onderwerpen waarin de peilstok die wij jaarlijks steken wordt gebruikt. Hoe gaat het met de kwaliteitszorg? Hoeveel zwakke scholen zijn er? Mensen gebruiken de cijfers uit de Staat van het Onderwijs als basis voor een gesprek. Dat vind ik ook heel belangrijk. Er is bereidheid om met elkaar aan de slag te gaan. De boodschap staat zelden ter discussie. Dat is mooi, maar dat geeft ons tegelijkertijd een enorme verantwoordelijkheid in hoe we dit aanpakken.”

De stimulerende rol van inspectie heeft de laatste jaren meer nadruk gekregen. Er is ook meer behoefte aan in het maatschappelijk debat. Arnold: “Elk jaar vertellen we over De Staat van het Onderwijs aan de vaste Kamercommissie in de Tweede Kamer. Dat zijn boeiende gesprekken. Daarbuiten ook. Als je de hele tijd hoort van ‘hou eens op met je gedoe’, dan helpt dat natuurlijk niet om hier gemotiveerd mee bezig te blijven. Het moet wel wat blijven opleveren. Gelukkig is dat het geval.”

Hoe de diverse partijen aan de slag gaan met De Staat van het Onderwijs verschilt per onderwerp.
Arnold: “Bij de voorbereidingen besteden we veel aandacht aan de vraag: maken we duidelijk wat je met dit onderwerp kan doen? is het helder wie we adresseren? En vooral ook met de vraag: kún je hier eigenlijk wel wat mee?” 

Het duurt soms jaren voor je de impact ziet, maar er gebeurt wel degelijk van alles.

Van probleem naar oplossing

Arnold: “Een paar jaar geleden ging het in De Staat van het Onderwijs over gelijke kansen. Verschillende scholen, schoolbesturen en gemeenten hebben vervolgens een analyse gemaakt om inzichtelijk te krijgen hoe de situatie bij hen was. Dat is een mooi begin om uiteindelijk tot daadwerkelijke veranderingen en verbeteringen te komen. Het duurt soms jaren voor je de impact ziet, maar er gebeurt wel degelijk van alles. Daar ben ik erg blij mee.” 

Arnold legt uit dat het om een oplossing te kunnen vinden vaak ook maar net de vraag is waar een probleem precies zit.
“We wezen er vorig jaar bijvoorbeeld op dat de rekenprestaties in Nederland achterblijven bij die van andere landen. Tegelijkertijd zien we in die prestaties grote verschillen tussen scholen. Waar ligt dat dan aan? Zit het in het systeem, in het stelsel, of in de individuele scholen? Stel dat het eraan ligt dat leraren niet goed worden opgeleid, dan is er sprake van een systeemprobleem. Maar als het aan de lesmethode ligt, kan het dus ook volstaan om een andere lesmethode te kiezen. Dit is voor ons ook onderwerp van onderzoek. Daar werken wij nu aan, samen met experts uit het onderwijsveld. Wij zijn zelf ook benieuwd waar de crux zit. Het is misleidend om een stelselprobleem af te willen schuiven op individuele scholen. En andersom: niet alles is meteen een stelselprobleem.”

De laatste 2 jaar sprak Arnold onder meer met gemeenten, schoolbesturen, docententeams, de SER, de VNG over Gelijke Kansen. “Ik zeg eigenlijk nooit nee, tenzij het agendatechnisch echt niet lukt. Ik denk dat je de kracht van een tekst overschat als je denkt dat mensen na het lezen ervan genoeg informatie hebben en er direct mee aan de slag willen en gaan. Een gesprek helpt daarin.”
Bovendien, legt Arnold uit, helpen de gesprekken hem én De Staat van het Onderwijs ook weer verder. “Wat we in gesprekken horen is vaak weer input voor nieuw onderzoek en nieuwe analyses. We zitten ons niet in een kamertje af te vragen waar we nu weer eens over gaan typen; die inspiratie halen we op in interacties met het veld. Dat is een enorm goede bron. Als je alleen maar naar je tabellen met data zit te kijken, dan mis je heel veel en snap je vaak niet wat er staat.”

Een ander gunstig effect van de gesprekken is dat ze de impact vergroten. Arnold: “Impact wordt altijd groter als je aansluit bij waar de motivatie en de zorgen liggen. We sluiten aan bij wat er leeft. Wij hebben geen eigen agenda die uit het luchtledige komt ploffen, maar we helpen het veld om zich verder te ontwikkelen. Dat kan alleen in dialoog. “