Weblogs

Eigen vermogen en voorzieningen bij kleinere instellingen

De discussie over een wenselijke omvang van schoolbesturen is vaak gericht op de resultatenrekening (het overzicht van inkomsten en uitgaven) en dan vooral op de kosten van de overhead bij die besturen. Er zou sprake zijn van aanzienlijke ondoelmatigheid bij grotere besturen. Op die stelling ga ik hier niet in. Je kunt voor die doelmatigheid echter ook naar de balans kijken. En dat levert interessante inzichten op.

In de Financiële Staat van het Onderwijs hebben wij al enkele keren aangegeven dat kleinere besturen financieel kwetsbaarder zijn en daarom verhoudingsgewijs meer geld achter de hand moeten houden.

Om dat te beoordelen heb ik eens gekeken naar twee groepen besturen in het primair onderwijs (po). De ene groep omvat de eenpitters en de andere een groep besturen met 11-20 scholen. Bij DUO heten dat de groepen BO1 en BO5. Een gemiddeld BO5-bestuur heeft 13,8 keer zoveel inkomsten dan een eenpitter.

Vergelijk je dat met het eigen vermogen en de voorzieningen van die besturen, dan zie je dat het gemiddeld eigen vermogen van de BO5-besturen ongeveer 7,6 keer zo groot is als dat van eenpitters. Teruggerekend naar afzonderlijke scholen, heeft een enkele school in een BO5-bestuur dus maar iets meer dan de helft van het eigen vermogen van een eenpitter. (Wel hebben eenpitters verhoudingsgewijs wat meer privaat eigen vermogen. Als je daar rekening mee houdt, is het eigen vermogen van BO5 8,7 keer zo groot.)

Bij voorzieningen is het verschil kleiner. Voorzieningen zijn immers gekoppeld aan toekomstige verplichtingen en die hoeven voor kleinere besturen verhoudingsgewijs niet veel groter te zijn dan voor grotere besturen. Hier is de gemiddelde omvang bij BO5-besturen 11 keer zo groot als bij eenpitters. Maar ook dit is nog substantieel lager dan het verschil in omvang van 13,8 tussen eenpitters en BO5-besturen.

Wat zou het nu betekenen als we alle BO5-besturen zouden opsplitsen in afzonderlijke eenpitters? Laten we het even voorrekenen. Er zijn rond de 180 BO5-besturen. Vermenigvuldigd met die 13,8 zou dat neerkomen op ongeveer 2480 eenpitters. Daarnaast zijn er rond 350 eenpitters, zodat het totaal gaat om iets minder dan de helft van alle po-scholen. Gemiddeld heeft een eenpitter een publiek eigen vermogen van 534 duizend euro. Bij een school in een BO5-bestuur is dat omgerekend 337 duizend euro.

Als alle scholen in BO5-besturen hetzelfde eigen vermogen zouden gaan nastreven als de eenpitters, zou dat leiden tot een toename van het eigen vermogen van 488 miljoen euro.  Bij de voorzieningen zou de toename ongeveer 55 miljoen euro zijn. Al met al een toename van vastgelegd vermogen van ruim een half miljard. En dat zou enkel gelden voor de scholen in BO5-besturen. Daarnaast zijn er nog kleinere besturen van 2 tot 10 scholen en de grote besturen boven de 20 scholen. Ik schat dat de toename in vermogen en voorzieningen dan tussen een en anderhalf miljard euro zou liggen, alleen voor het po.

Groter is niet altijd beter en dit verhaal gaat maar over een aspect van die omvang, het vermogen dat vastligt. Duidelijk wordt daaruit wel dat, ook zonder inzicht in de vraag of er nu sprake is van overmatig spaargedrag, de context van scholen van grote invloed is op de mate waarin zij middelen op hun balans hebben staan. Bij kleine eenheden is dat in elk geval ongunstiger.

Foto Jos Verkroost

Jos Verkroost is strategisch inspecteur. In die rol is hij nauw betrokken bij de vernieuwing van het toezicht van de inspectie. Een onderdeel daarvan is de nauwere relatie tussen het kwaliteitstoezicht en het financiële toezicht.