Weblogs

Weblog: Flexwerk en doelmatigheid

In de vorige Staat van het Onderwijs heeft de inspectie zich enigszins kritisch uitgelaten over de toename van het personeel in tijdelijke en flexcontracten. In de kern komt die kritiek erop neer dat de inspectie zich afvraagt wat het effect hiervan is op investeringen in de kwaliteit van het personeel en of het mogelijk leidt tot grotere gevoelens van werkdruk en hoger ziekteverzuim. Interessant is echter ook hoe vanuit de optiek van doelmatigheid tegen dit vraagstuk kan worden aangekeken.

Dure recruiters en bonussen

Voor sommigen is dat vrij duidelijk. Elke euro die op die manier in de zakken van recruiters verdwijnt of aan bonussen voor schaarse leraren wordt besteed, komt niet ten goede aan de leerlingen. Dat kan niet anders dan ondoelmatig zijn. Voor hetzelfde geld zouden immers meer leraren kunnen worden aangesteld en zouden de leerlingen dus meer lessen krijgen. Er wordt dus geld verspild, zou je zeggen.

De werkelijkheid is, zoals zo vaak, ingewikkelder. Want wat als er op traditionele wijze gewoon geen geschikte leraar wordt gevonden? Dan worden klassen samengevoegd of worden lessen die toch niet voor niets gepland staan, niet gegeven. Of de school beperkt de keuzevakken omdat zij kleine deelvacatures niet kan invullen. Kortom de dienstverlening wordt teruggeschroefd en het overblijvende geld kan naar de reserves. Er worden dus minder prestaties geleverd en juist dat verlaagt de doelmatigheid weer. Als de school dat met een wat duurdere leraar kan oplossen, dan kan het resultaat toch weer positief zijn.

Kosten en baten

En wat die recruiters en de uitzendorganisaties betreft, natuurlijk kosten die geld en we weten niet precies hoeveel. Deze kosten worden in de redenering vaak afgezet tegen de fictie dat directieleden of personeelsfunctionarissen van scholen gratis zijn (ze lopen er immers toch). Maar als directeuren veel van hun kostbare tijd moeten besteden aan personeelswerving, dan gaat dat weer ten koste van ander werk waar het onderwijs ook baat bij zou kunnen hebben. Of misschien kan de school zelfs met een directielid minder toe wanneer personeelswerving zou vervallen. Bovendien zijn wervingsadvertenties evenmin gratis. De doelmatigheid kan zich hier dus verschillende kanten op bewegen.

Een eenduidige reactie kan de inspectie hier dus niet op geven. Het is natuurlijk van het grootste belang dat de school een zorgvuldige afweging heeft gemaakt van kosten en opbrengsten bij de keuze. Bij sommige schoolbesturen zien we in jaarverslagen doelstellingen voor een flexibele personeelsschil met vrij forse streefpercentages. Daar staan dan soms wat algemene opmerkingen over krimp en veroudering en vertrek van personeel bij, maar vaak ontbreekt verder een gestructureerde onderbouwing van die keuze.  Krimp van leerlingenaantallen en vervanging van personeel dat met pensioen gaat, zijn heel verschillende verschijnselen waaraan je moeilijk met hetzelfde instrument (flexibele personeelsinzet) effectief het hoofd kunt bieden.

Een andere kijk op de zaak

Inspecteurs zullen dus niet eenvoudig op basis van een berekend flexpercentage kunnen veronderstellen dat er iets mis is met de doelmatigheid. Maar ze kunnen wel de vraag stellen welke afwegingen zijn gemaakt bij de keuze voor een bepaalde constructie. En ze kunnen ook vragen hoe het bestuur ervoor zorgt  dat deze personeelsleden betrokken zijn bij scholing en schoolontwikkeling en hoe een samenhangende teamontwikkeling op deze wijze gestalte krijgt.

Maar vanuit een heel ander perspectief kan de inspecteur bij een bestuur zonder flexpersoneel, maar met een personeelstekort, ook de vraag stellen of dat personeelstekort via andere dan de traditionele wegen niet had kunnen worden opgelost. En hoeveel energie, en met name tijd, het heeft gekost om eventuele vacatures wel te vervullen.

Doelmatigheid is een complex begrip. Het heeft niet enkel te maken met zuinig omgaan met ‘echt’ geld, maar evengoed met de juiste inzet van personeelsleden. Het is immers de verhouding tussen kosten (in de breedste zin) en resultaten (in de breedste zin). Als de resultaten achteruitgaan door terughoudende uitgaven, dan kan er ook wel eens sprake zijn van verkeerde zuinigheid.

Foto Jos Verkroost

Jos Verkroost is strategisch inspecteur. In die rol is hij nauw betrokken bij de vernieuwing van het toezicht van de inspectie. Een onderdeel daarvan is de nauwere relatie tussen het kwaliteitstoezicht en het financiële toezicht.