Besturen moeten bovenmatige reserves nu echt aan onderwijs besteden

Onderwijsbesturen hebben net als in voorgaande jaren gemiddeld ruim voldoende reserves. De reserves nemen opnieuw toe, vaak tot een grotere hoogte dan nodig is. Onderwijsbesturen die bovenmatige vermogens hebben, moeten beleid maken om het geld nu echt effectief te gaan besteden aan onderwijs. Daar dringt de inspectie op aan in de Financiële Staat van het Onderwijs over 2019.

De inspectie heeft inmiddels een rekenhulp online gezet. Daarmee kunnen besturen, en bijvoorbeeld ook medezeggenschapsraden, zelf zien of hun vermogen hoger is dan nodig lijkt.

Begrotingen wijken nog steeds af van resultaat

De inspectie stelt vast dat het gemiddelde Nederlandse onderwijsbestuur zijn begroting nog steeds niet goed kloppend krijgt. Gemiddeld houden besturen jaar na jaar meer geld over dan verwacht. Ook over 2019 was er een aanzienlijk verschil tussen de begrotingen en de resultaten aan het eind van het jaar. De overheid keerde weliswaar eind 2019 extra middelen uit die besturen niet hadden kunnen voorzien. Maar ook zonder dat hielden de besturen gemiddeld meer over dan begroot.

Visie nodig op financieel beleid, zeker in onzekere tijden

Waar een bestuur in investeert, dat moet het vanuit het eigen strategisch beleid zelf bepalen. Dat is immers de bijzondere verantwoordelijkheid en bevoegdheid van een onderwijsbestuur. Uit de jaarverslagen van de onderwijsbesturen blijkt nog te vaak dat er weinig verband is tussen de begroting en de achterliggende doelen van het bestuur. De inspectie benadrukt dat een bestuur een langetermijnvisie en een daarmee samenhangend financieel beleid nodig heeft om effectief te kunnen sturen én om zich goed te kunnen verantwoorden. Een goede langetermijnvisie is des te meer noodzakelijk bij grote onzekere gebeurtenissen, zoals de gevolgen van corona.

Signaleringswaarde toont mogelijk bovenmatig vermogen

De zo sterk afwijkende en soms ook te voorzichtige begrotingen zijn mede de oorzaak ervan dat de reserves in het onderwijs nog altijd oplopen. En geld dat in reserve blijft, is niet uitgegeven aan het onderwijs van dat jaar. De inspectie hanteert inmiddels een signaleringswaarde, die aangeeft hoeveel publiek eigen vermogen een bestuur maximaal zou moeten aanhouden. Dat is een indicatie - geen harde norm - van wat nog een redelijk vermogen is. De meerderheid van de besturen in het funderend onderwijs zit boven die waarde en heeft dus vermoedelijk een bovenmatig groot vermogen. De besturen die dit aangaat, hebben in november van de inspectie een brief ontvangen die hen daarop attendeert en die ze aanspoort de mogelijk bovenmatige reserves effectief in te gaan zetten.

Geld inzetten voor beleid werkt, bijvoorbeeld voor personeelsbeleid

De Financiële Staat van het Onderwijs vermeldt intussen als positieve waarneming dat bepaalde besturen hun financiën vanuit een langetermijnvisie inzetten om daadwerkelijk knelpunten aan te pakken. Een goed voorbeeld zijn de investeringen in het primair onderwijs door besturen in de grote steden, die te kampen hebben met groot lerarentekort. Die besturen kiezen er al jaren voor om meer hoger betaalde functies open te stellen, om daardoor hun personeelsbeleid aantrekkelijker te maken.