Studentenstromen hoger onderwijs in beeld

De algehele toegankelijkheid van het hoger onderwijs is op dit moment gewaarborgd. Maar in opleidingen waar decentraal wordt geselecteerd, zijn nog steeds bepaalde groepen studenten beter vertegenwoordigd dan andere groepen. Dat zijn enkele van de observaties uit de derde editie van de in- en doorstroommonitor hoger onderwijs, die gaat over de periode 2008-2017. Met deze monitor geeft de Inspectie van het Onderwijs een beeld van de toegankelijkheid in het hoger onderwijs.

Signaleren of toegankelijkheid onder druk staat

Wie stroomt er het hoger onderwijs in? En hoeveel studenten maken inderdaad de overgang van het hbo naar het wo? Wie gaat er voor zijn master naar een andere instelling? En maakt het uit of een opleiding aanvullende eisen stelt voor de studenten die er instromen? De inspectie wil goed in beeld houden hoe het staat met de toegankelijkheid van het hoger onderwijs, en tijdig kunnen signaleren of die toegankelijkheid onder druk komt te staan. In het bijzonder voor bijvoorbeeld studenten met een vooropleiding in het mbo, of studenten met een niet-westerse migratieachtergrond. Daarom observeert en analyseert de inspectie de studentenstromen. De resultaten staan in de derde editie van de meerjarige in- en doorstroommonitor.

Verschillen niet groot, wel hardnekkig

Een paar observaties uit de monitor. Er stromen minder studenten naar de wo-master door vanuit de hbo- en wo-bachelor, en relatief meer studenten stromen in vanuit het buitenland. De inspectie zal nader onderzoeken wat dit betekent voor de toegankelijkheid van het masteronderwijs. Meer in het algemeen is te zien dat sommige verschillen tussen groepen van studenten weliswaar niet zo groot zijn, maar wel hardnekkig. Vrouwen bijvoorbeeld gaan vanuit het vwo relatief vaak naar het hbo en stromen van daaruit minder vaak door naar het wo. Tegelijkertijd zijn vrouwen oververtegenwoordigd in opleidingen die aanvullende eisen stellen. Studenten met een niet-westerse migratieachtergrond volgen vaker de alternatieve routes naar en binnen het hoger onderwijs. Maar het gebruik van deze routes door deze studenten neemt af. Studenten met hoger opgeleide ouders en uit de hogere inkomensgroepen kiezen vaker na de bachelor voor een master aan een andere instelling.

In het hoger onderwijs is er altijd een zekere spanning tussen aan de ene kant toegankelijkheid (zo veel mogelijk kansen voor zo veel mogelijk studenten) en aan de andere kant het streven naar kwaliteit (bijvoorbeeld geen overvolle collegezalen) en studiesucces (waar mogelijk alleen studenten toelaten die ook echt kans hebben de eindstreep te halen). De monitor gaat na of het een niet ten koste gaat van het ander.