Brede toegankelijkheid hoger onderwijs niet onder druk, selectie zorgt wel voor andere instroom

Er zijn geen aanwijzingen dat de brede toegankelijkheid van het hoger onderwijs onder druk staat als gevolg van (decentrale) selectiemaatregelen in het hoger onderwijs. Wel is er bij opleidingen met selectie sprake van verschuivingen van de instroom. Deze verschillen zijn klein maar hardnekkig. Zeker daar waar selectie wordt toegepast, dient er dan ook aandacht te zijn voor gelijke kansen.  Het is daarom wenselijk de toegankelijkheid te blijven monitoren.

Dat blijkt uit het inspectierapport “Selectie; meer dan cijfers alleen”.  De inspectie onderzocht de (aanstaande) decentrale selectie bij bacheloropleidingen met een numerus fixus en de afschaffing van het automatisch toelatingsrecht tot de doorstroommaster voor afgestudeerde bachelors. Daarbij stond vooral de vraag centraal wat de effecten zijn op de instroom en de toegankelijkheid van het hoger onderwijs.

Naast bovengenoemde bevinding trekt de inspectie de volgende belangrijke conclusies:

Selectie bij bacheloropleidingen met een numerus fixus

  • Zowel in het hbo als in het wo neemt het percentage selecterende bacheloropleidingen met een numerus fixus af. Tegelijkertijd zien we een beweging naar meer decentrale selectie. Van de voltijd bacheloropleidingen met een numerus fixus neemt – vooral in het hbo – het aandeel opleidingen met 100 procent decentrale selectie toe.
  • Van de groep bacheloropleidingen met decentrale selectie waarvan we de selectiecriteria kennen, hanteert ruim 90 procent twee of meer selectiecriteria. De andere hanteren er slechts een. De manier van selecteren verschilt sterk per opleiding, qua criteria en qua intensiteit van de toepassing.
  • Opleidingen zien duidelijk de toegevoegde waarde van decentrale selectie, maar noemen als keerzijde het risico van zelfselectie. De onderzochte opleidingen hanteren geen specifiek diversiteitsbeleid, gericht op de vertegenwoordiging van bepaalde groepen studenten.
  • Bepaalde groepen stromen relatief wat minder vaak in opleidingen met selectie in dan andere groepen. Selecterende maatregelen lijken dus tot een verschuiving van groepen studenten te leiden. Daarmee zorgt selectie aantoonbaar voor een wat andere instroom.

Selectie bij masteropleidingen

  • Ongeveer een derde van de masteropleidingen past enige vorm van selectie toe voor bachelorgediplomeerden van dezelfde instelling. Als we de researchmasters buiten beschouwing laten, gaat het om 20 procent van de masteropleidingen. De verschillen tussen instellingen en sectoren zijn groot. Alle selecterende masteropleidingen passen twee of meer selectiecriteria toe.
  • Universiteiten die al selecteren of dit overwegen, gaan hier zorgvuldig mee om en houden oog voor de toegankelijkheid van het masteraanbod. Tegelijkertijd is er weinig onderling overleg of onderlinge afstemming tussen instellingen.
  • Verschillen tussen subgroepen in de doorstroom naar selecterende masters zijn klein, maar deels vergelijkbaar met de verschillen tussen subgroepen bij de bacheloropleidingen.

Bovendien geldt dat de informatievoorziening over de selectie van zowel de bacheloropleidingen met een numerus fixus als die van selectieve masteropleidingen voor verbetering vatbaar is. De informatie op de website blijkt niet altijd te kloppen. Het is belangrijk dat de informatie over selectie transparant en eenduidig is.

De inspectie zal de ontwikkelingen rond de toegankelijkheid en de feitelijke instroom in het hoger onderwijs de komende jaren nadrukkelijk blijven monitoren.

Hoort bij