Taal en rekenen op vo-scholen kan nog verder verbeterd worden

Leraren hebben vaak wel gegevens over de taal- en rekenachterstanden van hun leerlingen, maar doen er nog (te) weinig mee in hun les.

De meeste scholen in het voortgezet onderwijs hebben een vorm van opbrengstgericht werken rond taal en rekenen. Zo verzamelt het overgrote deel van de scholen gegevens over het taal- en rekenniveau van hun leerlingen. Vaak gebruiken scholen die gegevens om de zwakke leerlingen te signaleren. Zij bieden deze leerlingen extra ondersteuning buiten de les in de vorm van ondersteuningsuren. Wat scholen nog beter kunnen doen, is evalueren of deze leerlingen daadwerkelijk genoeg hebben bijgeleerd tijdens die extra lessen. Ook kunnen de leraren de toetsresultaten nog veel beter gebruiken in de vormgeving van hun lessen. Dit gebeurt slechts op 6 procent van de scholen.

1100 lessen bezocht

Dat blijkt uit onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs, zoals neergelegd in het rapport “Opbrengst gericht werken aan taal en rekenen in het voortgezet onderwijs, over het verbeteren van taal en rekenen in het voortgezet onderwijs”. Het onderzoek keek naar de vraag in welke mate scholen opbrengstgericht werken aan de referentieniveaus taal en rekenen en hoe ze zich daarin zouden kunnen verbeteren. De inspectie bezocht daartoe 1100 lessen op 125 vo-afdelingen.

Stimuleren taal- en rekenvaardigheid

Door de invoering van de centrale rekentoets en de ijking van de examens Nederlands aan de referentieniveaus taal, moeten scholen bewuster en doordachter met taal en rekenen omgaan. De leerlingen moeten immers de vereiste referentieniveaus halen. Dat is niet voor alle scholen (en voor alle leerlingen) even gemakkelijk. Naast onderzoeksgegevens biedt het inspectierapport daarom ook suggesties voor vervolgstappen voor scholen die meer met hun opbrengstgegevens willen doen. De inspectie wil scholen stimuleren om hun leerlingen te helpen nóg taal- en rekenvaardiger te worden.