Inspectie van het Onderwijs - Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Veelgestelde vragen

Scholen of voorzieningen voor nieuwkomers verzorgen onderwijs aan kinderen van asielzoekers of richten zich op de eerste opvang van onder- of neveninstromers. Deze laatste groep leerlingen beheerst het Nederlands niet of onvoldoende om aan het reguliere onderwijs deel te kunnen nemen.

Op deze pagina vindt u antwoorden op veelgestelde vragen over het toezicht van de Inspectie van het Onderwijs op scholen of voorzieningen voor nieuwkomers. Klik op een vraag om het antwoord te lezen.

Toezicht

Ontwikkelingsperspectief

Toetsen

Opbrengsten en zittenblijven

Onderwijstijd

Leerstofaanbod

Rol van de ouders

Overig

 Antwoorden:

In hoeverre verschilt het toezicht op een azc-school van het toezicht op een reguliere basisschool?

Bij het toezicht op voorzieningen/scholen voor nieuwkomers volgt de inspectie zoveel mogelijk de reguliere aanpak voor het toezicht op basisscholen. Omdat bij scholen/voorzieningen voor nieuwkomers de opbrengsten niet te beoordelen zijn aan de hand van leerresultaten, beoordeelt de inspectie deze niet. Dit is het grootste verschil met de reguliere aanpak. Wel verwacht de inspectie van scholen dat ze hun onderwijs doelgericht en plannend vormgeven. Er wordt beoordeeld of azc-scholen/voorzieningen voor nieuwkomers werken met ontwikkelingsperspectieven en op basis hiervan hun leerstofaanbod plannen en evalueren.

Hoe verloopt een onderzoek door de inspecteur?

Een kwaliteitsonderzoek duurt ongeveer een dag en wordt uitgevoerd door een of twee inspecteurs. Het bezoek omvat lesbezoeken, gesprekken met leerkrachten, intern begeleider(s), de directie en eventueel met leerlingen. De dag wordt afgesloten met een gesprek met de directie en het bestuur. De inspecteur licht zijn beoordelingen toe en geeft aan welk toezichtarrangement de school krijgt (basistoezicht of aangepast toezicht).

Wat zijn de normindicatoren?

Normindicatoren spelen een belangrijke rol bij het bepalen of een school basistoezicht of aangepast toezicht krijgt. De normindicatoren per kwaliteitsaspect staan hieronder vermeld. De nummers verwijzen naar de specifieke aspecten, zoals die te vinden zijn in het toezichtkader primair onderwijs.

  • leerstofaanbod: 2.1, 2.2, 2.4
  • didactisch handelen: 5.1, 5.2, 5.3
  • volgen van de ontwikkeling/ontwikkelingsperspectief: 7.1, 7.3, 7.4
  • zorg en begeleiding: 8.3

Spelen ouders een rol tijdens het kwaliteitsonderzoek?

Nee, een gesprek met ouders is geen structureel onderdeel van het kwaliteitsonderzoek.

Hoe lang van te voren wordt een inspectiebezoek aangekondigd?

Het streven is zes weken van te voren een afspraak te maken met de school en vervolgens een aankondigingsbrief te sturen.

Is het mogelijk om de datum van het bezoek in overleg te plannen? Wij zitten middenin een aanpassingstraject en willen dit graag zorgvuldig uitwerken.

Nee, de inspectie bepaalt in welke periode de bezoeken plaatsvinden. Daarbinnen kan, afhankelijk van de agenda van de inspecteurs, eventueel geschoven worden.

Hoe weet ik of een inspecteur van de werkgroep nieuwkomers meekomt?

In de aankondigingsbrief staat vermeld of er een of meer inspecteurs komen.

Vanaf wanneer worden scholen bezocht?

Voor het schooljaar 2011/2012 is een planning gemaakt. De inspectie voert kwaliteitsonderzoeken uit op scholen/voorzieningen die voltijd onderwijs verzorgen aan leerlingen van vier tot twaalf jaar. Te zijner tijd bekijkt de inspectie hoe het toezicht op aparte klassen wordt ingericht. Heeft u een vraag over de planning, neem dan contact op met het Loket Onderwijsinspectie.

Moet de school of leerkracht zelf de ontwikkelingsperspectieven maken?

De inspectie heeft geen formats voor het ontwikkelingsperspectief. Vanuit het LOWAN is wel een benchmark beschikbaar. Het is van belang dat een school beargumenteert waarom zij kiest voor een bepaald ambitieniveau en hoe het leerstofaanbod daaraan gekoppeld is. Ook is het belangrijk om zichtbaar te maken hoe en wanneer geëvalueerd wordt of de ontwikkeling van de leerling in lijn is met het opgestelde profiel.

Dient een school de ontwikkelingsperspectieven te evalueren op zowel individueel niveau als op schoolniveau?

Ja, de inspectie verwacht dat een school op beide niveaus evalueert. Op individueel niveau in verband met de evaluatie van de ontwikkeling van een leerling (ontwikkelt de leerling zich in overeenstemming met zijn mogelijkheden) en op schoolniveau vanuit de invalshoek van kwaliteitszorg. Leidende vragen kunnen zijn:

  • In welke mate slaagt de school er in om de ontwikkelingsperspectieven te realiseren?
  • Zijn er verschillen tussen vakgebieden, tussen categorieën leerlingen, et cetera?
  • Tot welke verbeterpunten leidt dit?

Is er slechts een ontwikkelingsperspectief (OPP) nodig voor minimaal een vakgebied? Hoe zit het met rekenen?

Omdat scholen over het algemeen relatief kort aan de slag zijn met OPP's, vraagt de inspectie in dit stadium nog geen OPP voor álle vakgebieden. Uiteraard staat de inspectie positief tegenover scholen die voor meerdere vakgebieden OPP's hebben opgesteld. De inspectie stimuleert dat een school OPP's opstelt voor technisch lezen, woordenschat, begrijpend lezen, spelling en rekenen-wiskunde.

Is het voldoende om ontwikkelingsperspectieven op groepsniveau te hebben?

Nee, de inspectie verwacht dat voor elke leerling een OPP aanwezig is. Bij het bepalen van het OPP dient de school namelijk de belemmerende en bevorderende factoren van de leerling mee te nemen. Voor leerlingen die een vergelijkbare startsituatie of achtergrond hebben, kan wel hetzelfde perspectief worden opgesteld. Leerlingen kunnen uiteraard in de groepsoverzichten geclusterd worden in subgroepen of niveaugroepen.

Welke eisen stelt de inspectie aan het toetssysteem bij scholen/voorzieningen voor nieuwkomers?

Groep 1 en 2

  • minimaal een keer in de kleuterperiode een landelijk genormeerde toets mondelinge taal afnemen, waarvan in ieder geval het onderdeel woordenschat;
  • zo mogelijk: minimaal een keer in de kleuterperiode landelijk genormeerde toetsen voor het volgen van de taal- en rekenontwikkeling afnemen;
  • in ieder geval de taal- en rekenontwikkeling van kleuters volgen via een gestructureerd observatiesysteem.

Groep 3 tot en met 8

  • minimaal een keer per jaar een landelijk genormeerde toets voor woordenschat en voor technisch lezen afnemen;
  • zo mogelijk: een landelijk genormeerde rekentoets afnemen (minimaal een keer per jaar), anders een methodegebonden toets;
  • zo mogelijk (afhankelijk van het technisch leesniveau): een landelijk genormeerde toets begrijpend lezen afnemen (minimaal een keer per jaar)

Welk kleutervolgsysteem moet een azc-school/voorziening voor nieuwkomers van de inspectie gebruiken?

Scholen zijn vrij in de keuze van een kleuter- of leerlingvolgsysteem. De inspectie heeft geen specifieke voorkeur voor bepaalde kleutervolgsystemen. Ze keurt de beschikbare volgsystemen dan ook nooit goed of af.

Het is van belang of het observatie-instrument dat gebruikt wordt - of dit nu zelf is ontwikkeld of afkomstig is uit een commercieel kleutervolgsysteem- de kleuterontwikkeling en/of de leervorderingen op een gestructureerde wijze voor alle leerlingen in beeld brengt. Dit betekent dat de school een observatie-instrument of observatiesysteem gebruikt waarin het te observeren gedrag duidelijk is omschreven en dat er afspraken zijn over hoe en wanneer de observatiegegevens verzameld worden.

Bij de beoordeling of de school gestructureerde observaties voor kleuters uitvoert, beoordeelt de inspectie niet of het observatie-instrument/observatiesysteem/kleutervolgsysteem genormeerd en/of gevalideerd is. Anders dan bij genormeerde toetsen is voor deze systemen namelijk geen onafhankelijke beoordeling van de betrouwbaarheid en validiteit beschikbaar.

Woordenschat: accepteert de inspectie de methodegebonden toetsen van Mondeling Nederlands Nieuw?

Ook voor methodegebonden toetsen geldt dat de inspectie er geen kwaliteitsoordeel over geeft. Zij vraagt bij indicator 7.1 (volgsysteem) dat de school landelijk genormeerde toetsen tot haar beschikking heeft en waar mogelijk gebruikt. Bij indicator 7.2 (systematisch volgen en analyseren van de ontwikkeling van de leerlingen) volstaan methodegebonden toetsen, bij indicator 7.1 niet.

Moet een volgsysteem voor de sociaal-emotionele ontwikkeling ‘Cotan-proof’ zijn?

De inspectie heeft niet voor alle instrumenten die voldoen aan de Cotan-vereisten normen beschikbaar, waarmee ze indicator 1.5 (beoordelen sociale competenties) kan beoordelen (zie ook de notitie ‘Analyse en waarderingen van opbrengsten’).

Een school mag zelf bepalen welk instrument ze inzet om de sociaal-emotionele ontwikkeling te volgen en de resultaten te bepalen. Als een school een instrument gebruikt waarvoor de inspectie geen normen heeft, wordt indicator 1.5 niet beoordeeld.

De inspectie gaat er wel van uit dat een school de sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen systematisch volgt. Dit is een van de voorwaarden voor een voldoende beoordeling van indicator 7.2 (systematisch volgen en analyseren van de ontwikkeling van de leerlingen).

Mag Eggo+ gebruikt worden als instrument om de sociaal-emotionele ontwikkeling te volgen?

Zie het antwoord op de vraag hierboven.

Met het oog op de geringe taalvaardigheid van onze leerlingen, willen wij de Cito-toets rekenen-wiskunde voor het speciaal basisonderwijs gebruiken, in plaats van de reguliere versie. Mag dat?

Ja, dat mag. Een school bepaalt zelf welke toetsen zij gebruikt. De inspectie verwacht van de school dat zij kan verantwoorden dat de versie voor speciaal basisonderwijs (beter) geschikt is voor haar leerlingenpopulatie. De sbo-toetsen zijn toegestaan.

Mogen wij voor rekenen-wiskunde de Tempotoets Rekenen gebruiken?

Ja, dat mag. Deze toets voldoet echter niet aan de criteria van Cotan en wordt door de inspectie daarom niet gebruikt voor een oordeel over de opbrengsten. Gebruik van deze toets leidt echter niet tot een onvoldoende op indicator 7.1. De toets wordt bij de beoordeling van indicator 7.1 namelijk buiten beschouwing gelaten.

Leerlingen hebben na een jaar schakelonderwijs vaak een achterstand. Daardoor kunnen ze niet leeftijdsadequaat in een reguliere klas instromen en blijven ze soms een jaar zitten. Wordt een school daarop ‘afgerekend’?

Nee, de inspectie rekent scholen niet af op zittenblijvers. De inspectie vraagt wel van een school dat zij zorgvuldig afweegt of doubleren nodig is. Dit kan door criteria en/of richtlijnen op schoolniveau op te stellen. De school dient haar aanpak (het beleid) te kunnen verantwoorden.

Alleen als de school veel zittenblijvers heeft in de groep 3 tot en met 8 (meer dan 3 procent) en hier geen goede onderbouwing voor heeft, wordt indicator 1.3 als onvoldoende beoordeeld. Let op: indicator 1.3 speelt geen rol in de beslissing of een school (zeer) zwak is (zie ook de notitie ‘Analyse en waarderingen van opbrengsten’).

Binnen ons samenwerkingsverband komen geregeld leerlingen binnen met de leeftijd van groep 3. Zij hebben echter nog nooit onderwijs gevolgd en voldoen dus nog niet aan de leervoorwaarden. Mogen deze kinderen nog een jaartje kleuteren of moeten ze instromen in groep 3?

Een school bepaalt zelf wat nodig is voor haar leerlingen. De inspectie vraagt van de school zich te verantwoorden over haar keuzes en aan te tonen dat deze gebaseerd zijn op expliciet schoolbeleid (zie ook de notitie ‘Analyse en waarderingen van opbrengsten’).

Vanaf wanneer doen nieuwkomers mee in de reguliere beoordelingen?

Lees hiervoor de notitie ‘Analyse en waarderingen van opbrengsten’.

Maakt de inspectie onderscheid tussen nieuwkomerkleuters die net in Nederland zijn en kleuters die al langere tijd in Nederland zijn, maar ook onaanspreekbaar zijn in het Nederlands?

Nee, de inspectie verwacht dat in de kleutergroepen een beredeneerd aanbod is voor taal en rekenen, dat afgestemd is op de behoeften van de leerlingenpopulatie.

Wanneer nieuwkomers na een of twee jaar binnen het regulier onderwijs gaan meetellen, op welk niveau tellen ze dan mee?

De opbrengsten van deze leerlingen worden meegerekend bij het leerjaar waarin zij zitten. Zit de leerling bijvoorbeeld in groep 6, dan tellen zijn resultaten mee bij groep 6. In de notitie ‘Analyse en waarderingen van opbrengsten’ staan de voorwaarden om een leerling niet mee te laten tellen.

Onze school is een mixschool met twee NT2-klassen. Een deel van de asielzoekerkinderen proberen we onder te brengen in de reguliere groepen. Dat vraagt extra aandacht en drukt het groepsniveau, maar is wel in het belang van het kind. Naar welke aanpak gaat de voorkeur van de inspectie uit?

De inspectie heeft geen voorkeur. Aan beide benaderingen (apart dan wel samen) zitten voor- en nadelen. Het is aan de school om een beredeneerde keuze te maken. Voor het al dan niet meetellen van deze leerlingen bij het beoordelen van de opbrengsten, zie de notitie ‘Analyse en waarderingen van opbrengsten’.

Geldt de norm van 7.520 onderwijstijd uur voor de hele schoolloopbaan? En hoe is dit als kinderen 1 tot 1,5 jaar of langer dan 8 jaar op school zitten?

De berekening van de onderwijstijd is een lastige, omdat de eerste opvang doorgaans niet de totale schoolperiode beslaat. De inspectie kan dus niet berekenen of leerlingen in acht jaar voldoende uren onderwijstijd krijgen (minimaal 7.520 uur).

De school dient aan te kunnen tonen dat zij op jaarbasis voldoende onderwijstijd heeft gepland voor de leerlingen. Heeft een school of voorziening wel de leerjaren 1 tot en met 8 in huis en verblijven leerlingen langer op deze school/voorziening, dan kan wel een berekening van de onderwijstijd plaatsvinden.

Een extra schooljaar telt niet mee bij de berekening van de onderwijstijd.

Zijn er richtlijnen voor de verdeling van de leertijd over de vakken?

Nee, er zijn geen wettelijke richtlijnen voor het rooster van een school. Afhankelijk van de leerlingenpopulatie maakt de school zelf een evenwichtige verdeling van de activiteiten over de dag.

Hoe beoordeelt de inspectie het leerstofaanbod in terugkeercentra?

Voor het aanbod in terugkeercentra hanteert de inspectie de volgende uitgangspunten:

  • de ontwikkeling van leerlingen moet ook in terugkeercentra doorgaan;
  • het aanbod dient in overeenstemming te zijn met het (ontwikkel)perspectief en de onderwijsbehoeften van de leerling.

Het uitgangspunt is dat het onderwijs planmatig en doelgericht is, vanuit het perspectief ‘terugkeer naar het moederland’. Omdat vaak niet duidelijk is hoe lang kinderen nog in Nederland verblijven, zijn individuele ontwikkelingsperspectieven niet haalbaar. Een school dient echter wel te beschikken over doelen die ze wil nastreven voor groepen leerlingen. Dat betekent dat een school beschikt over methoden, programma’s of materialen die gekoppeld zijn aan leerlijnen. De leerlijnen moeten aansluiten bij het niveau van de leerlingen en minimaal op dit niveau voortbouwen.

Waar mogelijk en relevant, dient een school rekening te houden met de achtergrond van de leerlingen, bijvoorbeeld:

  • leerlingen die analfabeet uit het moederland komen;
  • leerlingen die geletterd uit het moederland komen; 
  • leerlingen die een schoolloopbaan in Nederland achter de rug hebben.

De school heeft voor deze leerlingen minimaal een gepland aanbod voor mondelinge Nederlandse taal, technisch lezen/beginnende geletterdheid, rekenen-wiskunde en, zo mogelijk, begrijpend lezen. Gezien de problematiek van kinderen in een terugkeercentrum is daarnaast een gericht aanbod voor de sociaal-emotionele ontwikkeling gewenst.

Hoe kijkt de inspectie naar ouderparticipatie (vertegenwoordiging in de OR/MR en oudervragenlijsten/interviews)?

Volgens de wet moet de Medezeggenschapsraad een oudergeleding/-vertegenwoordiging hebben. Meningen van ouders over de school zijn belangrijk voor de school, bijvoorbeeld in het kader van de kwaliteitszorg. Deze informatie is waarschijnlijk lastig te achterhalen via formele vragenlijsten. Het is van belang dat de school pogingen onderneemt om een beeld te krijgen van de mening van ouders.

Is een handtekening van ouders nodig onder het onderwijskundig rapport?

Ja, dit is een wettelijke verplichting.

In hoeverre kan de MR een rol spelen bij azc-scholen?

Conform de Wet Medezeggenschap is voor alle scholen een MR verplicht. Het is aan het bestuur om afspraken te maken over het concrete functioneren van de MR.

Houdt de inspectie toezicht op de samenwerkingsverbanden?

Nee, de inspectie houdt op dit moment geen direct toezicht op de samenwerkingsverbanden. Wel moet een samenwerkingsverband het zorgplan jaarlijks vaststellen en opsturen naar de inspectie. Het zorgplan wordt gebruikt als bron van informatie bij het toezicht op de afzonderlijke scholen. Met de invoering van Passend onderwijs verandert het toezicht op de samenwerkingsverbanden.

Is het mogelijk dat het onderwijs aan nieuwkomers en asielzoekerkinderen officieel wordt erkend als speciaal onderwijs?

Voor een antwoord op deze vraag dient u contact op te nemen met het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Stuur door