Beoordeling opbrengsten niet bekostigd mbo 2009
Begin 2009 is aan alle niet bekostigde instellingen met erkende opleidingen mbo (NBI) een vragenlijst voor de opbrengstgegevens gestuurd. Dit maakt deel uit van het wettelijk verplichte Verslag van werkzaamheden. Het gaat om de opbrengsten behaald in het cursusjaar 2008.
Over 2007 is een vergelijkbare actie uitgevoerd. Hier is echter de respons lager geweest en een andere indicator gebruikt, waarmee vele NBI's niet goed konden werken. Daarom beschouwen we de meting over 2008 als de eerste meting.
1. Gebruikte indicator
Er is voor gekozen niet met de indicatoren te werken die in het bekostigd onderwijs zijn afgesproken (jaarresultaat en diplomaresultaat), maar met een nieuwe indicator: rendement, oftewel de slaagkans. Dit is een simpele, eenvoudig te begrijpen indicator die uitgaat van een cohortbenadering. In formule
totaal geslaagd
------------------------------
totaal gestart
Voorbeeld: Als er van de 100 studenten die in een startjaar gestart zijn, na twee peildata (het eerste jaar na einde plus nog een jaar) 80 % een diploma gehaald hebben, is het rendement 80 %. Een gemiddelde student in deze opleiding had bij de start 80 % kans om een diploma te halen.
2. Respons
Van de 85 aangeschreven NBI's zijn er uiteindelijk vragenlijsten verwerkt van 51 NBI's, waaronder 48 niet afstandsonderwijs en 3 instellingen met afstandsonderwijs. Het betreft 235 opleidingen. Het gaat hierbij in het contactonderwijs om 7010 startende studenten, in het afstandsonderwijs 2224, in totaal 9234 startende studenten. Van de 235 opleidingen zitten er 5 op niveau 1, 59 op niveau 2, 113 op niveau 3 en 58 op niveau 4.
Deze respons is te weinig, maar vergelijkbaar met de eerste jaren waarin bij bekostigd onderwijs met het onderwijsnummer begonnen is.
Er zijn verschillende acties ondernomen om de respons te verhogen, een aantal lopen nog. Voor de normbepaling hoeven we daar niet op te wachten: de respons is voldoende om een beeld te krijgen van de behaalde opbrengsten bij de NBI's en om een voorlopige norm te bepalen. Bij instellingen die uiteindelijk in gebreke blijven wordt erop gewezen dat er sprake is van het niet naleven van wet- en regelgeving. Eventuele vervolgacties worden per geval bekeken, waarbij rekening gehouden met worden met een redelijke implementatieperiode.
Het blijkt dat de formulieren, soms na overleg, door de meeste instellingen goed in te vullen zijn.
3. De opbrengsten
Het blijkt veel uit te maken of instellingen met afstandsonderwijs wel of niet meegenomen worden: afstandsonderwijs heeft aanzienlijk lagere opbrengsten. Dit past bij de aard van contactonderwijs.
Hieronder staat het rendement bij percentiel 50 en bij P34, voor contactonderwijs en afstandsonderwijs.
|
|
contactonderwijs |
afstandsonderwijs |
Nbi totaal
|
|---|---|---|---|
|
Percentiel 50 |
71,6% |
10,0% |
50,7% |
|
Percentiel 30 |
55,6% |
0 |
29,2% |
Dus:
- bij niet bekostigde opleidingen met contactonderwijs hebben gemiddeld circa 72 % van de startende deelnemers na drie jaar ook een diploma gehaald;
- bij niet bekostigde opleidingen met afstandsonderwijs heeft gemiddeld slechts circa 10 % van de startende deelnemers na drie jaar een diploma gehaald.
Dit overzicht maakt duidelijk dat het niet zinvol is om afstandsonderwijs mee te rekenen. Wij zullen daarom het afstandsonderwijs buiten de berekening voor de norm laten. De opbrengsten zullen bij opleidingen voor afstandsonderwijs niet beoordeeld worden.
4. De norm
De norm wordt bepaald op het percentage rendement van 56%, wat hoort bij het percentiel 30. Dat houdt in dat een opleiding met een lager rendement dan 56 % onvoldoende opbrengsten behaald heeft. Drie van de tien nbi-opleidingen zit dus onder de norm. Dit is dezelfde relatieve norm als bij het bekostigd onderwijs.
Gezien de geringe verschillen in opbrengsten tussen niveau en deeltijd/voltijd brengen we hierin geen differentiatie in norm aan.
5. Meewegen in het toezicht
We hanteren in 2009 deze gegevens bij de risico-analyse, naast andere input voor de risicoanalyse, zoals signalen van mogelijke knelpunten in de kwaliteit van het onderwijs. In elk geval bij de NBI's die opleidingen hebben met te weinig opbrengsten vindt een gesprek plaats. In elk geval wordt met de NBI's met afstandsonderwijs gesproken.
We beoordelen de opbrengsten wel, maar betrekken het oordeel in 2009 niet bij het eindoordeel over de kwaliteit van de opleiding. Dat eindoordeel wordt dus uitsluitend gebaseerd op de kwaliteit van het onderwijsproces. Argument hiervoor is dat het nog enige tijd duurt voor de norm formeel vastgesteld en goedgekeurd is, en er is dan teveel tijd in het lopende kalenderjaar versreken. Door het wel te beoordelen, maar niet mee te laten wegen, kunnen er al op korte termijn gesprekken met de NBI's hierover gevoerd worden.
6. Interventies
Opleidingen met een tekortschietend onderwijsproces worden beoordeeld als ‘zwakke opleidingen'. Door het niet meewegen van opbrengsten kan een opleiding bij een eerste onderzoek volgens de beslisregels in het Toezichtkader bve 2009 niet als ‘zeer zwak' beoordeeld worden. ‘Zeer zwak' is hetzelfde als ‘van onvoldoende kwaliteit' in de zin van de WEB.
Indien de opleiding na een jaar bij een onderzoek na kwaliteitsverbetering nog steeds een onvoldoende onderwijsproces te zien geeft, wordt de opleiding echter als ‘zeer zwak' beschouwd. De instelling krijgt dan een waarschuwing en er volgt nog een laatste hersteltermijn van een jaar. Bij herhaalde constatering van een onvoldoende onderwijsproces kan de minister een sanctietraject starten, wat in kan houden het intrekken van het recht op diplomering, d.w.z. het intrekken van de onderwijslicentie.
7. Evaluatie
Het jaar 2009 gebruiken we om hierover met de instellingen, met Paepon en met OCW te spreken. Na evaluatie worden de opbrengsten in 2010 wel bij de eindbeoordeling betrokken.
Meer informatie
- Beoordeling opbrengsten bekostigd mbo 2009
-
Grenswaarden risicoanalyse opbrengsten toezichtronde 2009
PDF-bestand, 73kB -
Indicatoren voor opbrengsten
PDF-bestand, 38kB