Skip to main content

Onderwijsverslag 2013/2014: Leerlingen sneller gediplomeerd, maar druk op overgangen

Leerlingen en studenten in Nederland halen sneller een diploma dan voorheen. Maar het onderwijssysteem lijkt wel minder flexibel te worden en biedt mogelijk minder kansen. Dit constateert de Inspectie van het Onderwijs in De Staat van het Onderwijs - Onderwijsverslag 2013/2014, dat de inspectie vandaag presenteert tijdens haar Onderwijscongres 2015.

Schoolloopbanen korter en druk op overgangen

Schoolloopbanen verlopen steeds efficiënter. Het aantal vertraagde leerlingen in het basisonderwijs is gedaald van 18 procent in 2011 naar 16 procent in 2013. Ook in het voortgezet onderwijs daalde afgelopen jaar het aantal zittenblijvers. In het middelbaar beroepsonderwijs halen steeds meer studenten een diploma (79 procent tegenover 72 procent vier jaar eerder). In het wetenschappelijk onderwijs vallen minder studenten uit en wordt de studieduur korter.

Terwijl de efficiëntie toeneemt, lijkt het onderwijssysteem minder flexibel te worden voor leerlingen en studenten. Als zij overgaan van schoolsoort naar schoolsoort komen ze vaker vormen van selectie tegen. Aan het eind van de basisschool krijgen leerlingen vaker adviezen mee voor een enkele schoolsoort in plaats van een gemengd advies voor meerdere schoolsoorten (79 procent in 2013 tegenover 72 procent in 2009). Ook komen leerlingen vaker terecht in homogene brugklassen. Overstappen wordt lastiger, ook omdat scholen vaker categoraal georganiseerd zijn. Aan het eind van de onderbouw van het voortgezet onderwijs komen sinds een paar jaar leerlingen meer onder dan boven het door het basisschooladvies voorspelde niveau uit. Leerlingen volgen vaker de directe route naar het vervolgonderwijs (vmbo-mbo, havo-hbo), terwijl stapelen van opleidingen (vmbo-havo-vwo, mbo-hbo-wo) minder gebeurt.

De inspectie ziet dat meer vmbo-leerlingen hogere leerwegen volgen. Daarentegen leiden gerichtere plaatsing en minder stapelen ertoe, dat er relatief minder vwo-diploma’s behaald worden en de instroom in het hoger onderwijs afneemt. Dit roept de vraag op of leerlingen en studenten met meer capaciteiten nog voldoende kansen krijgen.

Kwaliteitszorg en -borging zorgen voor hogere onderwijskwaliteit

Leraren, schoolleiders en bestuurders hebben de afgelopen jaren de kwaliteitszorg in hun scholen en instellingen sterk verbeterd. Op meer scholen worden onderwijs en resultaten gemonitord en geanalyseerd, passende doelen gesteld en het onderwijs waar nodig bijgesteld. Mede als gevolg hiervan is in de afgelopen jaren het aantal zwakke en zeer zwakke scholen sterk afgenomen.

De kwaliteitszorg wordt ook beter verankerd, waarmee een terugval in kwaliteit wordt voorkomen. In het mbo heeft de helft van de instellingen de kwaliteitsborging op orde tegen een kwart twee jaar eerder.

Scholen waar de kwaliteitszorg en -borging op orde is, hebben meestal een onderwijsproces van hoger niveau. Wel blijft het lastig om de verbeterslagen tot in de klas of de les door te voeren. Lesbezoeken door intern begeleiders en teamleiders kunnen dit verbeteren.

Scholen kunnen veel van elkaar leren

De inspectie komt prachtige voorbeelden tegen van scholen en opleidingen met een hoge kwaliteit waar leerlingen en leraren gemotiveerd zijn. Leraren, schoolleiders en bestuurders benutten er de vrijheid die ze hebben om hun onderwijs naar eigen overtuiging in te richten. De goede voorbeelden geven ook aan dat er veel van elkaar geleerd kan worden. Hoe zorgen we ervoor dat leraren, schoolleiders en bestuurders hiervan meer gebruik gaan maken?

Naast deze voorbeelden, zien we grote verschillen tussen scholen en instellingen op verschillende gebieden. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om kwaliteit van lessen, motivatie en tevredenheid van leerlingen en studenten en verschillen in perspectieven na de opleiding (op vervolgonderwijs of de arbeidsmarkt). De vraag die we hierbij stellen is welke verschillen we nog acceptabel vinden. Wat als op een opleiding ruim een kwart van de studenten in het eerste jaar uitvalt wanneer het gemiddelde voor de betreffende opleiding veel lager ligt? Of twijfelen we dan toch aan de kwaliteit van de opleiding met veel uitval? En wat zijn de oorzaken van de grote verschillen? In een aantal gevallen lijken ze samen te hangen met werkbeleving en personeelsbeleid op scholen en instellingen. De inspectie gaat over deze vragen het gesprek aan met het onderwijs, om te beginnen tijdens haar congres vandaag.

Het onderwijscongres

De Inspectie van het Onderwijs stelt jaarlijks De Staat van het Onderwijs (ook wel het Onderwijsverslag) op. Het Onderwijsverslag wordt gepresenteerd tijdens het eerste congres over de Staat van het Onderwijs (Onderwijscongres 2015). Dat gebeurt door Monique Vogelzang, de nieuwe inspecteur-generaal van het Onderwijs. Tijdens het congres spreken leerlingen, ouders, leraren, schoolleiders en bestuurders met elkaar over verbetermogelijkheden voor het onderwijs. Op het congres presenteren leerlingen en leraren ook ‘De staat van de leerling’ en ‘De staat van de leraar’.