Hoofdlijnen onderwijsverslag 2010-2011
De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs. Het Onderwijsverslag beschrijft elk jaar positieve en negatieve ontwikkelingen in het stelsel. Het bevat ook aanbevelingen voor verbeteringen.
Inleiding - Gunstige ontwikkelingen
Het niveau van het onderwijs in Nederland is in vergelijking met andere landen goed. De meeste leerlingen en studenten krijgen onderwijs van voldoende of goede kwaliteit. Een aantal positieve ontwikkelingen die de inspectie eerder signaleerde, zet door in het schooljaar 2010/2011:
- er zijn minder (zeer) zwakke scholen en opleidingen;
- meer leerlingen gaan naar hogere vormen van onderwijs en daardoor stijgt het opleidingsniveau;
- de leerprestaties in het basisonderwijs stijgen licht en er zijn opnieuw minder voortijdig schoolverlaters in het middelbaar beroepsonderwijs.
Inleiding - Wat kan beter
Niettemin kan en moet het Nederlandse onderwijs beter. De verschillen tussen scholen zijn te groot, waardoor niet alle leerlingen dezelfde kansen krijgen. Het onderwijs kan verbeteren op de volgende punten:
- het didactisch handelen van een deel van de leraren, zodat meer maatwerk mogelijk is voor laag- en hoogpresterende leerlingen en studenten;
- de ondersteuning van kwetsbare groepen leerlingen en studenten;
- de zorg vanuit besturen voor de kwaliteit van de onderwijspraktijk en voor de naleving van wet- en regelgeving;
- de prestaties van sommige kleine scholen en opleidingen.
Inhoudsopgave
- Kwaliteit scholen
- Hoger opgeleid
- De leraar
- De kwetsbare leerling
- Bestuur
- Kleine scholen en opleidingen
- Tot slot
Kwaliteit scholen
Aantal (zeer) zwakke scholen en opleidingen is verder gedaald
Net als voorgaande jaren daalde in 2011 het aantal zwakke en zeer zwakke scholen en opleidingen. Steeds meer scholen voldoen dus aan de inspectienormen voor voldoende kwaliteit. Wel zijn er grote verschillen tussen de onderwijssectoren als het gaat om het aandeel (zeer) zwakke scholen.
Sinds 2008 daalt het aantal (zeer) zwakke scholen en opleidingen. Op 1
september 2011 was geen enkele school voor praktijkonderwijs meer zeer zwak.
Het percentage basisscholen met basistoezicht stijgt landelijk van 93 procent in
2010 naar 95,6 procent in 2011.
Daling zwakke en zeer zwakke scholen
Het percentage zwakke en zeer zwakke scholen neemt sinds 2009 af. Op 1 september 2011 was de afname in vrijwel alle onderwijssectoren 1 of 2 procentpunt ten opzichte van 2010. De grootste verbetering vond plaats in het (voortgezet) speciaal onderwijs: daar was de daling bijna 4 procentpunten.
Daling niet overal
In drie onderwijssoorten daalt het percentage (zeer) zwakke scholen niet. Dit
is het geval in het speciaal basisonderwijs, waar het percentage zeer zwakke
scholen zelfs enkele procentpunten stijgt.
Daarnaast geldt de daling niet voor de vmbo-afdelingen voor kaderberoepsgericht
onderwijs en de cluster 4-scholen uit het (voortgezet) speciaal onderwijs.
Sectoren met weinig (zeer) zwakke scholen
De laagste percentages (zeer) zwakke scholen zijn te vinden in het basisonderwijs en het praktijkonderwijs. In deze onderwijssoorten ligt het percentage onder de 5 procent. Op 1 september 2011 was zelfs geen enkele school voor praktijkonderwijs meer zeer zwak.
Sectoren met veel (zeer) zwakke scholen
Het (voortgezet) speciaal onderwijs houdt het grootste aandeel zwakke en zeer zwakke scholen. Ruim een vijfde van deze scholen is zwak of zeer zwak op 1 september 2011. Het gaat relatief vaak om cluster 4-scholen, bedoeld voor leerlingen met ernstige gedrags- of psychiatrische problemen. Het speciaal basisonderwijs en het vwo kennen ook een relatief groot aandeel (zeer) zwakke scholen: 15 tot 20 procent van de scholen en afdelingen is zwak of zeer zwak.
Inhaalslag steden
In het basisonderwijs en voortgezet onderwijs is vooral het percentage zwakke en zeer zwakke scholen in de steden gedaald. Steden hebben in verhouding nog steeds een groot aandeel, maar ze zijn bezig de achterstand weg te werken.
Verschillen tussen de provincies
Van de basisscholen in Flevoland en Groningen is meer dan 10 procent zwak of zeer zwak. Landelijk is dit ruim 4 procent. In Zeeland is het percentage zwakke en zeer zwakke basisscholen gedaald van 10 naar 1 procent. Zeeland heeft hiermee het afgelopen schooljaar het laagste percentage (zeer) zwakke basisscholen van alle provincies. In het voortgezet onderwijs is het percentage (zeer) zwakke scholen in Friesland en Groningen relatief hoog (21 en 23 procent, tegen landelijk 10 procent). Dit percentage is, tegen de landelijke trend in, gestegen.
Opbrengstgericht werken is een belangrijke sleutel tot kwaliteitsverbetering.
Definities toezicht
- Kwaliteit zwak: De kwaliteit van het onderwijs op de school vertoont belangrijke tekortkomingen. De inspectie intensiveert het toezicht om de kwaliteit zo snel mogelijk te verbeteren.
- Kwaliteit voldoende: De jaarlijkse risicoanalyse of een kwaliteitsonderzoek laat geen risico’s zien voor de onderwijskwaliteit. De resultaten liggen op het niveau dat verwacht mag worden en de school krijgt het vertrouwen van de inspectie (basistoezicht).
- Kwaliteit zeer zwak: De kwaliteit van het onderwijs op een zeer zwakke school vertoont belangrijke tekortkomingen. Zowel de opbrengsten als het onderwijsproces zijn onder de maat. De inspectie intensiveert het toezicht.
Percentage zwakke scholen per sector (peildata 1 januari 2009, 1 september 2010 en 1 september 2011)
| Scholen | 1 januari 2009 | 1 september 2010 | 1 september 2011 |
|---|---|---|---|
| Basisonderwijs | 7,4 | 6,0 | 3,8 |
| Speciaal basisonderwijs | 13,6 | 18,7 | |
| Vmbo basisberoepsgericht | 10,7 | 7,3 | 6,5 |
| Vmbo kaderberoepsgericht | 8,8 | 8,8 | 10,3 |
| Vmbo gemengd/theoretisch | 11,3 | 10,0 | 9,0 |
| Praktijkonderwijs | 18,1 | 4,4 | 2,6 |
| (Voortgezet) speciaal onderwijs | 23,7 | 19,5 | |
| Havo | 9,3 | 8,1 | 6,5 |
| Vwo | 11,5 | 16,9 | 16,4 |
Percentage zeer zwakke scholen per sector (peildata 1 januari 2009, 1 september 2010 en 1 september 2011)
| Scholen | 1 januari 2009 | 1 september 2010 | 1 september 2011 |
|---|---|---|---|
| Basisonderwijs | 1,5 | 1,0 | 0,6 |
| Speciaal basisonderwijs | 1,6 | 1,0 | |
| Vmbo basisberoepsgericht | 3,6 | 1,1 | 1,0 |
| Vmbo kaderberoepsgericht | 3,6 | 1,2 | 1,2 |
| Vmbo gemengd/theoretisch | 1,3 | 1,0 | 1,1 |
| Praktijkonderwijs | 2,9 | 0,6 | 0,0 |
| (Voortgezet) speciaal onderwijs | 1,8 | 1,4 | |
| Havo | 0,5 | 1,0 | 0,6 |
| Vwo | 0,5 | 1,4 | 0,6 |
Zwakke opleidingen mbo
In het middelbaar beroepsonderwijs is het aantal zwakke en zeer zwakke opleidingen ook gedaald, van 335 op 1 september 2010 naar 189 op 1 september in 2011. Omdat de toezichtmethodiek licht afwijkt van de andere onderwijssectoren, is een vergelijking met andere sectoren niet mogelijk.
Verdere verbetering
Willen scholen hun resultaten verbeteren, dan is het van belang dat ze hun resultaten en onderwijsproces evalueren. Zwakke en zeer zwakke scholen scoren aanzienlijk lager op kwaliteitszorg dan scholen met een basisarrangement. Dit geldt eveneens voor opbrengstgericht werken. Het percentage zwakke en zeer zwakke scholen dat in het basisonderwijs aan alle vijf de indicatoren van opbrengstgericht werken voldoet is extreem laag. Ook scholen en opleidingen met basistoezicht kunnen bij kwaliteitszorg en opbrengstgericht werken nog sterk verbeteren.
Opbrengstgericht werken
In het vorige Onderwijsverslag heeft de inspectie erop gewezen dat opbrengstgericht werken een belangrijke sleutel is tot onderwijsverbetering. Bestuur, schoolleiders en leraren spelen allen hierin hun eigen, cruciale rol. Bij alle betrokkenen is nog ruimte voor verbetering.
Verbetering vooral in de steden
Toezichtarrangementen in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs in een aantal steden
In Amsterdam is het percentage (zeer) zwakke vo-afdelingen meer dan gehalveerd: van 17,4 procent in 2010 naar 8,2 procent in 2011.
In Den Haag stijgt het percentage basisscholen met basistoezicht met bijna 9 procentpunten ten opzichte van 2010.
Grote verschillen tussen provincies
Toezichtarrangementen in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs, per provincie
In Zuid-Holland stijgt het percentage basisscholen met basistoezicht met 3 procentpunten ten opzichte van 2010.
In Zeeland en Overijssel staan nauwelijks nog zwakke en zeer zwakke basisscholen.
Minder dan 5 procent van vo- afdelingen in Zeeland en Drenthe is zwak of zeer zwak.
Van de vo-afdelingen in Limburg en Utrecht heeft 94 procent basistoezicht.
Hoger opgeleid
Doorstroom naar hogere niveaus stelt eisen aan scholen
Steeds meer jongeren gaan naar hogere vormen van onderwijs. Het opleidingsniveau van de bevolking als geheel stijgt. De veranderende leerlingenpopulatie stelt wel specifieke eisen aan scholen en opleidingen.
Stijging opleidingsniveau
Nederlandse jongeren zijn steeds hoger opgeleid. Vooral het hoger onderwijs groeit, het wetenschappelijk onderwijs meer dan het hoger beroepsonderwijs. Het aandeel jongeren met een diploma van het hoger onderwijs is internationaal gezien hoog (1). Ook het deel van de leerlingen dat naar havo en vwo gaat, stijgt.
Positieve trend
De trend naar hogere onderwijsvormen is al decennialang gaande. Deze trend is niet alleen in Nederland te zien, maar ook in de landen om ons heen. Meer leerlingen hebben kansen om zich te ontwikkelen. Dit is een positieve ontwikkeling.
In alle onderwijssectoren
De trend naar hogere onderwijsvormen is in het hele stelsel zichtbaar. Leerlingen in het basisonderwijs krijgen hogere schooladviezen dan enkele jaren geleden. In de onderbouw van het voortgezet onderwijs plaatsen scholen leerlingen vaker in een hogere schoolsoort dan is geadviseerd. Ook neemt de doorstroom toe. Dit geldt zowel voor de doorstroom van het vmbo-t naar havo als van het middelbaar naar het hoger beroepsonderwijs en van het hoger beroepsonderwijs naar het wetenschappelijk onderwijs.
Minder leerlingen vmbo en mbo niveau 1 en 2
De verschuiving van leerlingen naar hogere onderwijssoorten heeft gevolgen voor scholen en opleidingen. Zo gaat ieder jaar een kleiner deel van de leerlingen naar de basisberoepsgerichte leerweg van het vmbo. Ook is sprake van krimp bij opleidingen op niveau 1 en 2 in het mbo Pommer, E. (Red.) (2011). De sociale staat van Nederland 2011. Den Haag: Sociaal Cultureel Planbureau (SCP)." href="#twee">(2).
Nederland is Europees koploper in het percentage jongeren met diploma van het hoger onderwijs.
Eisen aan scholen en opleidingen
Differentiatie
De grotere diversiteit van de instroom in het hoger onderwijs en in havo en vwo vraagt om meer differentiatie. Leraren moeten de lesstof, instructie en de beschikbare tijd beter afstemmen op de capaciteiten van individuele leerlingen en studenten. De inspectie constateert dat juist op dit punt op een aanzienlijk deel van de afdelingen en opleidingen verbetering nodig is.
Het aantal leerlingen in havo/vwo en hoger onderwijs groeit; minder jongeren kiezen voor vmboAandeel leerlingen en studenten in het voortgezet onderwijs, hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs
In 2010 zit de helft van alle leerlingen in het derde leerjaar in het vmbo; in 2006 was dit 53 procent.
In 2010 zit 44 procent van de leerlingen in het derde leerjaar in havo of vwo; in 2006 was dit 42 procent.
Het hoger beroepsonderwijs groeit in de periode 2006-2010 met 50.400 studenten naar 416.200 studenten.
Het wetenschappelijk onderwijs groeit in de periode 2006-2010 met 33.000 studenten naar 240.200 studenten.
Bron: OCW, 2011
Ondersteuning en begeleiding
In de beroepsgerichte leerwegen van het vmbo en in niveau 1 en 2 van het mbo neemt het aandeel kwetsbare leerlingen toe. Extra ondersteuning en begeleiding van deze leerlingen is belangrijk. Niet alle scholen en opleidingen blijken deze leerlingen extra ondersteuning te bieden.
Bewaking examenkwaliteit
Scholen en opleidingen dienen zich te realiseren dat borging van de examens van groot belang is. Meer variatie in het instroomniveau van leerlingen en studenten maakt dit nog relevanter. Exameneisen mogen niet worden aangepast aan het niveau van minder goed presterende leerlingen en studenten.
Examens en zittenblijven geven reden tot zorg
Daling slaagpercentages
In het voortgezet onderwijs is in 2011 opnieuw sprake van een lichte daling van de slaagpercentages. Minder leerlingen slagen voor hun eindexamen (3). De daling is gestart in 2008. Toen haalde nog 93,5 procent van de leerlingen het examen. In 2011 is dit percentage gedaald naar 90,5 procent. Het effect van de aanscherping van de exameneisen in 2012 is onbekend, maar dit resulteert waarschijnlijk niet in een stijging van de slaagpercentages.
Geen stijging examencijfers
In het vmbo dalen de gemiddelde examencijfers opnieuw licht. Voor het vmbo en vwo geldt verder dat minder leerlingen hoge cijfers halen. Het percentage leerlingen dat gemiddeld een 6,5 of hoger haalt, is tussen 2006 en 2010 afgenomen.
Schoolexamens
Het lukt een deel van de scholen in het voortgezet onderwijs slecht het verschil in cijfers tussen het schoolexamen en het centraal examen terug te dringen. Hoewel het schoolexamen zijn eigen waarde heeft, zijn de cijfers hiervan gemiddeld hoger dan voor het centraal examen. In het schooljaar 2010/2011 is het verschil opnieuw licht toegenomen. Het is zorgelijk dat met name scholen in het vavo (voortgezet algemeen volwassenenonderwijs) hun schoolexamens hoger beoordelen dan de centrale examens: gemiddeld met driekwart punt. Systematische verschillen tussen scholen leiden tot ongewenste verschillen in cijfers en slaagkansen voor leerlingen. Scholen en besturen moeten het niveau van de schoolexamens daarom goed bewaken.
In het voortgezet onderwijs dalen de slaagpercentages en examencijfers
Slaagpercentages en examencijfers in het vmbo
Kaderberoepsgerichte leerweg
Het gemiddelde examencijfer in de kaderberoepsgerichte leerweg daalde het meest: van 6,5 in 2006 naar 6,1 in 2011. In de basisberoepsgerichte leerweg haalden leerlingen gemiddeld een 6,3 (was 6,6), in de gemengde/ theoretische leerweg een 6,1 (was 6,4).
Gemengde/theoretische leerweg
In 2011 slaagden minder leerlingen voor hun vmbo-examen dan in 2010. Vooral in de gemengde/theoretische leerweg daalde het percentage leerlingen dat een diploma haalde: van 93,7 procent in 2010 naar 92,6 procent in 2011.
De verschillen in toetsscores, examenresultaten en slaagkansen tussen scholen en instellingen onderling zijn groot.
Relatief veel zittenblijvers
In Nederland doubleren altijd al veel leerlingen (4). De hoogste percentages zijn te vinden in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs. Sinds 2008 stijgt het percentage zittenblijvers in het voortgezet onderwijs (5). Tussen scholen bestaan overigens grote verschillen. Scholen hebben wel van jaar tot jaar ongeveer gelijke percentages zittenblijvers. Er is onvoldoende zicht op de effecten van zittenblijven. Daarnaast is het de vraag of zittenblijven efficiënt is en of betere vormen van afstemming niet wenselijker zijn.
Examens hoger onderwijs
Opleidingen en instellingen in het hoger onderwijs dienen het niveau van de examens goed te bewaken. Recente incidenten laten zien dat er opleidingen zijn waar de kwaliteit van de examens onvoldoende is gegarandeerd. Het is onbekend of het hier om een enkel incident gaat of dat het niveau van de examens in het hoger onderwijs breder onder druk staat. De incidenten geven in ieder geval aan dat de examenkwaliteit van groot belang is en dat bestuurders waarborgen moeten inbouwen voor de kwaliteit van de examens.
Percentage Nederlandse jongeren met een diploma in het hoger onderwijs
In 2010 heeft 28 procent van alle 15- tot 65-jarigen een hbo- of wo-diploma. Tien jaar geleden ging het om 21 procent.
De leraar
Gerichte professionalisering van leraren
De leraar is cruciaal voor goed onderwijs. Er zijn veel goede leraren, maar ook leraren die zichzelf kunnen verbeteren. Verbetering is zeker nodig bij de meer complexe vaardigheden.
72 tot 86 procent van de leraren heeft voldoende basisvaardigheden om goed les te kunnen geven.
Basisvaardigheden
De meeste leraren beschikken over voldoende basisvaardigheden om goed les te geven. Ze leggen duidelijk uit, realiseren een taakgerichte werksfeer en betrekken de leerlingen actief bij de les. Dit concludeert de inspectie op basis van lesobservaties van ruim 2.500 leraren in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs. Van de leraren laat 2 tot 3 procent tijdens de les geen van deze basisvaardigheden zien. Schoolleiders en besturen moeten deze leraren leren herkennen, ze hierop aanspreken en begeleiden.
Gerichte professionalisering
Bij een op de acht leraren in het basisonderwijs beoordeelt de inspectie ten minste een van de basisvaardigheden als onvoldoende. Bij deze leraren was geen sprake van een duidelijke uitleg, een taakgerichte werksfeer of actief betrokken leerlingen. In het voortgezet onderwijs gaat het om ruim een op de vijf leraren. Verdere professionalisering van deze groep leraren is nodig en dient zich in de eerste instantie te richten op het toepassen van de basisvaardigheden.
Leraren met voldoende basisvaardigheden
| basisonderwijs | vmbo basis- en kaderberoepsgerichte leerweg | havo | vwo |
|---|---|---|---|
| 86% | 75% | 72% | 79% |
Definities vaardigheden
Basisvaardigheden:
- De leraar legt duidelijk uit
- De leraar realiseert een taakgerichte werksfeer
- Leerlingen zijn actief betrokken bij de onderwijsactiviteiten
Complexe vaardigheden:
- De leraar stemt de instructie af
- De leraar stemt verwerkingsopdrachten af
- De leraar stemt de onderwijstijd af
- De leraar volgt en analyseert de voortgang van leerlingen systematisch (basisonderwijs)
- De leraar biedt planmatige zorg (basisonderwijs)
- De leraar gaat na of leerlingen de uitleg begrijpen (voortgezet onderwijs)
- De leraar geeft inhoudelijk feedback (voortgezet onderwijs)
Complexe vaardigheden
Leraren die de drie basisvaardigheden tijdens de les laten zien, verschillen in de mate waarin ze óók over complexe vaardigheden beschikken. Van de leraren die de basisvaardigheden beheersen, beheerst ongeveer de helft ook deze meer complexe vaardigheden. Bij de andere helft is ten minste een van de complexe vaardigheden als onvoldoende beoordeeld. Bij deze leraren is het nodig te investeren in de complexe vaardigheden. Dit geldt zowel voor onderwijsgevenden in het basisonderwijs als in het voortgezet onderwijs.
Op scholen vaak combinatie
Op de meeste scholen werken leraren die tijdens de lessen laten zien over de complexe vaardigheden te beschikken, maar ook leraren waar één of meer van deze vaardigheden als onvoldoende is beoordeeld.Hetzelfde gemengde beeld ziet de inspectie bij de basisvaardigheden. Dit betekent dat leraren op een school van elkaar kunnen leren.
Starters hebben minder vaardigheden
Er zijn geen grote verschillen gevonden in vaardigheidsniveaus tussen mannen en vrouwen of tussen jongere en oudere leraren. De verschillen tussen deze groepen zijn klein. Opvallend is wel dat leraren in het eerste jaar dat ze lesgeven minder vaak over de basisvaardigheden beschikken. Extra ondersteuning en begeleiding van beginnende leraren is daarom belangrijk. In veel andere landen is dit beter geregeld dan in Nederland. Eerder onderzoek van de inspectie laat zien dat de begeleiding van beginnende leraren vaak minimaal is en sterk verschilt tussen scholen 6.
Investeren in de professionalisering van leraren is vooral nodig voor de complexe vaardigheden.
Verschillen tussen scholen
Op vrijwel alle scholen staan een of meer leraren voor de klas die de basisvaardigheden onvoldoende beheersen. Maar vrijwel allemaal hebben ze ook leraren die beschikken over de complexe vaardigheden. Op (zeer) zwakke basisscholen zijn, zoals valt te verwachten, meer leraren die tekort schieten in de vereiste basisvaardigheden. Voor zowel het basisonderwijs als het voortgezet onderwijs geldt dat er verschillen zijn tussen de leerjaren en vakken. Zo geven leraren in groep 3 in het basisonderwijs en bij de beroepsgerichte vakken in het vmbo gemiddeld beter les dan hun collega´s in andere leerjaren en vakken.
Daling kwaliteit didactisch handelen
In verschillende onderwijssectoren daalt de kwaliteit van het didactisch handelen geleidelijk. Het percentage basisscholen waar leraren duidelijk uitleggen, lag na de eeuwwisseling stabiel op (ruim) 97 procent. Dit is de afgelopen vijf jaar geleidelijk gedaald tot 91 procent. In het middelbaar beroepsonderwijs, de volwasseneneducatie en het ( voortgezet) speciaal onderwijs is sprake van een vergelijkbare daling.
Leraren met voldoende basisvaardigheden én complexe vaardigheden
| basisonderwijs | vmbo basis- en kaderberoepsgerichte leerweg | havo | vwo |
|---|---|---|---|
| 42% | 44% | 28% | 29% |
Hoger onderwijs
In het hoger onderwijs is de laatste jaren meer aandacht voor de kwaliteit van docenten. Dit is een positieve ontwikkeling. Het opleidingsniveau van docenten stijgt hier.
Investeer in professionaliteit
Verdere professionalisering van leraren verbetert de resultaten van leerlingen. Professionalisering is in ieder geval nodig voor de groep leraren die tijdens hun lessen de basisvaardigheden niet of niet allemaal tonen. Daarnaast pleit de inspectie voor het investeren in complexere vaardigheden bij een grotere groep leraren. Het gaat hier met name om afstemming en het ondersteunen van kwetsbare leerlingen. Voor een deel van de leraren is gerichte nascholing op deze onderdelen gewenst. Ook hebben startende leraren extra begeleiding nodig.
Bespreek verschillen
Op iedere school werken zowel goede als minder goede leraren. Binnen een school kunnen die veel van elkaar leren. Leraren, schoolleiders en besturen moeten de verschillen in vaardigheidsniveaus herkennen en bespreekbaar maken. Professionalisering moet voortbouwen op vaardigheden die leraren al bezitten. In de praktijk zijn er voorbeelden van scholen die er uitstekend in slagen de vaardigheden van hun leraren te verhogen en hun leraren daarmee extra te motiveren.
Beginnende leraren laten minder vaak de basisvaardigheden zien
Percentage basisschoolleraren dat de basisvaardigheden laat zien, naar jaren werkervaring
| < 1 jaar | 1 - 3 jaar | 3 - 10 jaar | 11 - 20 jaar | > 20 jaar |
|---|---|---|---|---|
| 77% | 87% | 89% | 87% | 83% |
De kwetsbare leerling
Nog onvoldoende aandacht voor kwetsbare leerlingen
Iedere leerling heeft recht op goed onderwijs. In Nederland is dit echter niet vanzelfsprekend. Voor groepen kwetsbare leerlingen is het extra belangrijk dat zij onderwijs krijgen dat afgestemd is op hun ontwikkelingsmogelijkheden.
Meer focus nodig op de ontwikkeling van de leerling.
Groei cluster 4
Veel leerlingen met een indicatie zitten in het (voortgezet) speciaal onderwijs. Hun aantal groeit al jaren 7. Vooral het aantal leerlingen dat een indicatie heeft vanwege ernstige gedragsproblemen is de afgelopen jaren gestegen. Vaak hebben zij een stoornis in het autistisch spectrum. Dit is de belangrijkste oorzaak van de groei in cluster 4. In de andere clusters groeien de leerlingenaantallen niet of nauwelijks. Dit geldt ook voor het speciaal basisonderwijs.
Verbeterpunten sbo en (v)so
De scholen in het speciaal basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs zijn gespecialiseerd in het geven van extra ondersteuning aan leerlingen. Deze scholen zijn wel relatief vaak zwak of zeer zwak, met name cluster 4- en cluster 2-scholen in het (v)so. De belangrijkste verbeterpunten zijn het afstemmen van instructie en tijd op de behoefte van de leerlingen en het didactisch handelen. Ook het meer centraal stellen van de ontwikkeling van de leerlingen, in plaats van hun zorgbehoefte, is op veel scholen wenselijk.
Evaluatie van zorg kan beter
In het (v)so zijn scholen over het algemeen goed in staat de beginsituatie van de leerlingen vast te stellen. Vrijwel alle scholen stellen een handelingsplan op, in samenspraak en met instemming van de ouders. Een verbeterpunt is de evaluatie van de zorg. Twee derde van de scholen doet dit onvoldoende. Verder wordt niet altijd voldoende samengewerkt met de verschillende instanties die bij de jeugdhulpverlening betrokken zijn.
Definities speciaal onderwijs
Speciaal basisonderwijs
Voor kinderen die moeilijk leren, moeilijk opvoedbaar zijn of speciale zorg en aandacht nodig hebben.
(Voortgezet) Speciaal onderwijs
Voor leerlingen met een lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke beperking en voor leerlingen met psychiatrische of gedragsproblemen.
Kwetsbare leerlingen
Kwetsbare leerlingen zijn leerlingen die zonder extra ondersteuning of begeleiding op school niet of moeilijk mee kunnen komen. De meeste kwetsbare leerlingen zijn zogenaamde ‘zorgleerlingen’. Dit zijn leerlingen met extra financiering vanwege een zorgbehoefte. Deze leerlingen zitten deels in het speciaal basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs. Een ander deel zit in het regulier onderwijs met een ‘rugzakje’ of lwoo-financiering. Daarnaast zijn er ook enkele groepen leerlingen die geremd worden in hun ontwikkeling, maar geen zorgleerling zijn. Dit zijn bijvoorbeeld de hoogbegaafde leerlingen.
In het so en vso zijn scholen verdeeld in vier clusters:
- voor visueel gehandicapte kinderen;
- voor dove en slechthorende kinderen of kinderen met een communicatieve handicap;
- voor kinderen met lichamelijke en/of verstandelijke beperkingen, langdurig zieken en zeer moeilijk lerende kinderen;
- voor kinderen met ernstige gedrags- of psychiatrische problemen.
Kwetsbare leerlingen zitten zowel in het regulier onderwijs als in het (voortgezet) speciaal onderwijs
In 2010/2011 zaten bijna 69.000 leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs. Dit is een stijging van ongeveer duizend leerlingen ten opzichte van 2009/2010.
Verbeterpunten voor het (voortgezet) speciaal onderwijs zijn instructie en evaluatie van de zorg
Twee derde van de scholen in het (voortgezet) speciaal onderwijs evalueert de geboden zorg onvoldoende. Op twee derde van de scholen met aangepast toezicht stemmen de leraren hun instructie en verwerkingsopdrachten onvoldoende af op de behoeften van leerlingen. Op 40 procent van de basisscholen is de instructie onvoldoende afgestemd op verschillen tussen leerlingen.
Regulier onderwijs: zorg en begeleiding niet verbeterdLeerlingen met en zonder indicatie
Voor kwetsbare leerlingen in het reguliere onderwijs is het van groot belang dat de zorg en ondersteuning goed geregeld zijn. De inspectie ziet in de verschillende onderwijssectoren geen verbetering op dit punt. Verbetering is hier wel noodzakelijk.
Basisonderwijs
De kwaliteit van de zorg en begeleiding is op slechts een derde van de basisscholen op alle onderdelen voldoende. Hier is sprake van een kleine achteruitgang ten opzichte van eerdere schooljaren. De meeste basisscholen volgen de ontwikkeling van leerlingen wel, maar slechts de helft gebruikt de gegevens om te bepalen welke zorg nodig is. Daarnaast is de zorg op een groot deel van de scholen weinig planmatig. Een derde van de basisscholen evalueert de genomen maatregelen onvoldoende.
Vmbo
De beroepsgerichte leerwegen van het vmbo volgen vrijwel allemaal de ontwikkeling van zorgleerlingen en gebruiken deze gegevens om te bepalen welke zorg nodig is. Ook de samenwerking met zorgfunctionarissen en ketenpartners is op de meeste scholen voldoende. Evaluatie van de effecten van de genomen maatregelen is minder gangbaar. Dit gebeurt op slechts de helft van de scholen voldoende. Daarnaast is de zorg op een derde deel van de scholen onvoldoende planmatig. Handelingsplannen zijn vooral gericht op sociaalemotionele problematiek en nauwelijks op ontwikkelingsmogelijkheden en op het oplossen van cognitieve problemen.
Middelbaar beroepsonderwijs
De aandacht, zorg en ondersteuning voor kwetsbare leerlingen zijn in het middelbaar beroepsonderwijs de afgelopen jaren aanzienlijk verbeterd. Vrijwel alle instellingen voor mbo en volwasseneneducatie beschikken over zorgadviesteams. Net als in het vmbo is de ondersteuning en zorg vooral gericht op sociaal-emotionele problemen en veel minder op leerprestaties.
Gebrek aan maatwerk in het regulier onderwijs
Minder kansen
Voor kwetsbare leerlingen is het extra belangrijk dat het onderwijs wordt afgestemd op hun ontwikkelingsmogelijkheden. De inspectie beoordeelt afstemming en maatwerk relatief vaak als onvoldoende. Dit is al jaren het geval. Veel leraren richten zich op het gemiddelde niveau in de klas en minder op leerlingen die moeite hebben met de lesstof of juist extra uitgedaagd moeten worden.
Basisonderwijs
In het basisonderwijs ontbreekt afstemming vooral bij de instructie: op 40 procent van de scholen lukt het leraren onvoldoende om hierbij rekening te houden met verschillen tussen leerlingen. Dit percentage is de laatste jaren stabiel geweest, maar in het afgelopen schooljaar lijkt sprake van een lichte achteruitgang. De afstemming van opdrachten en de hoeveelheid beschikbare tijd op wat leerlingen aankunnen, gebeurt wel vaker. Maar ook dit is bij ruim een op de vier scholen onvoldoende. Op basisscholen die het onderwijs in voldoende mate afstemmen op hun leerlingen, liggen de leerprestaties in groep 8 hoger.
Vmbo
De inspectie heeft het afgelopen schooljaar onderzoek gedaan naar de kwaliteit van vmbo-scholen met beroepsgerichte leerwegen en beoordeelt de afstemming vaak als onvoldoende. Slechts een derde van de scholen lukt het de verwerkingsopdrachten af te stemmen op het niveau van de leerlingen. Ongeveer 40 procent van de scholen is in staat om bij de instructie rekening te houden met verschillen.
Mbo en volwasseneneducatie
In het mbo en de volwasseneneducatie bieden steeds meer opleidingen maatwerk. Tien jaar geleden was dit iets meer dan de helft, inmiddels lukt het tweederde deel. Dit betekent tegelijkertijd dat hier verdere verbetering mogelijk is: een derde van de opleidingen biedt nog onvoldoende maatwerk.
Hoger onderwijs
In het hoger onderwijs is door de groei van het aantal studenten de instroom diverser geworden. Dit betekent dat maatwerk ook in deze onderwijssector belangrijker wordt. Opleidingen en instellingen zouden er goed aan doen meer maatwerk te bieden en te zorgen voor extra ondersteuning aan kwetsbare groepen studenten.
In het regulier onderwijs hebben kwetsbare leerlingen vooral behoefte aan extra ondersteuning en maatwerk
Goede ondersteuning en zorg voorkomt dat kwetsbare leerlingen uitvallen en maakt dat ze zich optimaal ontwikkelen. Het gaat om extra ondersteuning door de leraar in de klas of de groep, en aandacht hiervoor op schoolniveau.
Bestuur
Besturen verbeteren, maar de kwaliteitszorg op scholen blijft achter
Besturen in het onderwijs hebben steeds minder vaak (zeer) zwakke scholen onder
zich. Maar de kwaliteitszorg op het niveau van de school blijft achter.
Betere prestaties op instellingsniveau
Vooral in het basisonderwijs is het gemiddelde percentage (zeer) zwakke scholen per bestuur gedaald. Er zijn minder besturen die financiële risico’s laten zien. Tegelijkertijd is er sprake van schaalvergroting. Als meer scholen samenwerken onder één bestuur, vergroot dit het vermogen om een beter beleid te voeren. Dit gaat gepaard met een uitbreiding van de ondersteuning voor besturen.
Meer aandacht van besturen voor de onderwijskwaliteit en opbrengstgericht werken verbetert de kwaliteit van de school of opleiding.
Niet overal verbetering
Niet alle besturen verbeteren zich; onderling zijn er grote verschillen. Bij een zeer klein deel van de besturen is meer dan een kwart van de scholen zwak of zeer zwak. Verdeeld over de onderwijssectoren gaat het om 43 besturen, eenpitters niet meegerekend. Verhoudingsgewijs zitten hier veel besturen tussen met scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs.
Onrechtmatigheden
Het aantal besturen dat de wet- en regelgeving niet naleeft, neemt af. Het gaat om kleine percentages van het totaal. De meeste besturen beheren de financiën goed en handelen in lijn met de wet- en regelgeving. Waar de regels niet worden nageleefd, komt dit soms doordat ze complex en omvangrijk zijn. Het rechtmatig verkrijgen van bekostiging is dan niet eenvoudig. Dit komt bijvoorbeeld voor bij de inschrijvingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs.
Daarnaast constateert de inspectie dat enkele besturen bewust onjuiste gegevens lijken te verstrekken om meer overheidsgeld te krijgen. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij de gewichtenregeling in het basisonderwijs. Elke leerling krijgt een ‘gewicht’ toegekend op basis van de opleiding van zijn ouder(s). Hoe zwaarder het totaal van de leerlinggewichten, hoe meer bekostiging de school krijgt. In het afgelopen schooljaar hebben sommige besturen fouten gemaakt bij het toekennen van de gewichten, fouten die ze eerder ook al maakten. Tot slot wordt in het voortgezet onderwijs en in het middelbaar beroepsonderwijs de vereiste hoeveelheid onderwijstijd niet altijd gehaald.
Het aantal besturen dat de wet- en regelgeving niet naleeft, neemt af. Het gaat om kleine percentages van het totaal. De meeste besturen beheren de financiën goed en handelen in lijn met de wet- en regelgeving. Waar de regels niet worden nageleefd, komt dit soms doordat ze complex en omvangrijk zijn.
Voorbeelden van het (niet) naleven van de wet- en regelgeving
- Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) In 2010 ontbreekt van ongeveer tweeduizend medewerkers een VOG in de personeelsadministratie.
- Bestuurlijke samenwerking Besturen krijgen slechts onder bepaalde voorwaarden toestemming om te fuseren. Steeds vaker zien besturen af van een fusie en richten ze hun samenwerking anders in. De inspectie vindt deze situaties onwenselijk, omdat het toezicht op het niveau van het bestuur hoort plaats te vinden.
- Fusies van scholen Als besturen hun scholen samenvoegen, dan moeten ze onder meer een deel van hun bekostiging inleveren. De opheffing van een school wordt echter niet altijd gemeld.
- Inschrijving van een leerling op een school Enkele besturen hebben hun leerlingen niet op de juiste school ingeschreven. In 2011 ging het om bedragen tussen enkele tienduizenden en circa een half miljoen euro. De inspectie vordert geld terug dat besturen ten onrechte hebben ontvangen.
- Toekennen leerlinggewicht Op basis van het leerlinggewicht ontvangt een basisschool extra geld van de overheid om onderwijsachterstanden tegen te gaan. Veel basisscholen maken fouten bij het toekennen van leerlinggewichten. Naar schatting hebben scholen in 2011/2012 ten onrechte ongeveer 50 miljoen euro ontvangen.
Kwaliteit op schoolniveau blijft achter
De professionalisering van besturen heeft nog te weinig effect op de kwaliteitszorg op de scholen en opleidingen zelf. Dit geldt voor alle onderwijssectoren, behalve voor het mbo. Besturen moeten meer aandacht hebben voor de kwaliteitsborging van scholen en opleidingen. Hier ligt een belangrijke opdracht. Besturen kunnen opbrengstgericht werken in de scholen stimuleren. Ook behoren ze schoolleiders en directeuren aan te spreken op resultaten en rendementen.
Examens hoger onderwijs
Uit inspectieonderzoek 8 blijkt dat er onvoldoende waarborgen zijn voor de kwaliteit van alternatieve afstudeertrajecten in het hoger beroepsonderwijs. Kwaliteitsborging en niveaubewaking worden steeds belangrijker door de groei, de druk om meer gediplomeerden af te leveren en de meer diverse instroom van studenten. Het is onbekend of deze ontwikkelingen momenteel een rol spelen in de onderwijspraktijk. In het vernieuwde toezicht op het hoger onderwijs zal dit een punt van aandacht zijn.
Verbeteren bestuurlijk handelen
Een goed bestuur is geen garantie voor goede kwaliteitszorg en -borging op scholen en opleidingen. Het bestuurlijk handelen dient verder verbeterd te worden om echt verschil te kunnen maken in de onderwijspraktijk. Te denken valt aan meer aandacht voor onderwijskwaliteit en opbrengstgericht werken. Ook moeten besturen zorgen voor goede informatie over de kwaliteit van hun scholen. Besturen zijn daarnaast afhankelijk van de kwaliteiten van de schoolleiders. Komend jaar doet de inspectie onderzoek naar de relatie tussen bestuur en schoolleider en naar de rol van de schoolleider bij kwaliteitsverbetering.
Financiële risico’s
De financiële positie van de meeste onderwijsinstellingen is goed. Een relatief klein aantal besturen kampt met financiële problemen. Besturen zullen de komende jaren wel flink moeten sturen op hun financieel management. Reserves slinken en een deel van de besturen krijgt te maken met een verdere daling van de leerlingaantallen als gevolg van krimp. Het opstellen van een goede begroting en meerjarenprognoses wordt belangrijker. Op dit moment ontbreken deze onderdelen nog in een groot deel van de jaarverslagen.
Definities financieel toezicht
Continuïteit: Is het bestuur financieel gezond? Kan het op korte en
langere termijn voldoen aan zijn financiële verplichtingen? Maakt het bestuur
gebruik van middelen voor een adequate planning en control?
Rechtmatigheid van bekostiging en besteding: Heeft het bestuur recht op
het geld dat het van de overheid ontvangt? Wordt het geld besteed aan die zaken
waarvoor het volgens wet- en regelgeving bedoeld is?
Doelmatigheid: Maakt het bestuur efficiënt gebruik van de middelen die
het van de overheid ontvangt? Om financiële risico’s op tijd te kunnen
signaleren, beoordeelt de inspectie de jaarverslagen van besturen. Wanneer
daaruit een risico blijkt, intensiveert de inspectie het toezicht op het
betreffende bestuur.
Daling van het aantal (zeer) zwakke scholen, in percentages per bestuur
Basisonderwijs
De daling is het meest zichtbaar in het basisonderwijs. Daar daalt het
percentage besturen met een of meer (zeer) zwakke scholen van 25 procent in 2010
naar 18 procent in 2011.
Voortgezet onderwijs
Het percentage besturen in het voortgezet onderwijs met een of meer zeer zwakke
afdelingen daalt van 37 naar 34 procent.
(Voortgezet) speciaal onderwijs
In het (voortgezet) speciaal onderwijs neemt het percentage besturen met een of
meer (zeer) zwakke scholen scholen af van 39 naar 34 procent.
Een professioneel bestuur is geen garantie voor goede kwaliteitszorg en
kwaliteitsborging op een school. Ondanks dat besturen steeds professioneler
worden, is op de scholen en opleidingen zelf in 2010/2011 geen verbetering te
zien van de kwaliteitszorg. Dit geldt voor alle sectoren, behalve het middelbaar
beroepsonderwijs.
Het bestuurlijk handelen moet nog verder verbeterd worden om echt een verschil
te kunnen maken in de praktijk van het onderwijs. Verbeterpunten zijn: een
sterkere focus op onderwijskwaliteit, opbrengstgericht werken, goede
informatievergaring en -verstrekking en een heldere
verantwoordelijkheidsverdeling.
Kleine scholen en opleidingen
Kleine scholen en opleidingen presteren vaker minder goed.
Kleine scholen en opleidingen zijn vaker zwak of zeer zwak dan grotere, vooral
in het voortgezet onderwijs. Maar de onderlinge verschillen tussen de
instellingen zijn ook groot.
Definities kleine school of kleine opleiding
- Basisonderwijs minder dan 100 leerlingen
- Voortgezet onderwijs (afdeling) minder dan 100 leerlingen
- Middelbaar beroepsonderwijs minder dan 12 studenten
- Hoger onderwijs minder dan 25 studenten
Kleine scholen en opleidingen risicovol
In alle onderwijssectoren ziet de inspectie kwaliteitsverschillen tussen scholen en opleidingen. Het succes van leerlingen en studenten hangt dus ook af van de school of opleiding die ze kiezen. De verschillen tussen scholen en opleidingen zijn niet eenvoudig te verklaren, ze hangen namelijk met veel zaken samen. In 2011 valt op dat de kwaliteit van kleine scholen en opleidingen opnieuw licht achterblijft. Dit geeft reden tot zorg, omdat tegelijkertijd het aantal kleine opleidingen en scholen groeit. Dit komt door krimp en toenemende differentiatie in het opleidingenaanbod.
Wisselend beeld
Niet op alle kleine scholen en opleidingen blijven de kwaliteit en resultaten achter bij die van grotere scholen en opleidingen. Een kleine school of opleiding betekent dus niet per definitie lagere kwaliteit. Wel lopen kleine scholen en opleidingen een groter risico om zwak of zeer zwak te worden. Verder verschilt het beeld tussen de onderwijssectoren.
Percentage kleine basisscholen dat zwak of zeer zwak is peildata 1 september 2010 11,8 % en 1 september 2011 6,5%.
Percentage zwakke of zeer zwakke vwo-afdelingen, naar schoolgrootte
(peildatum 1 september 2011)
Gemiddeld is 17 procent van de vwo-afdelingen zwak of zeer zwak.
Van de vwo-afdelingen met minder dan 100 leerlingen is 40 procent zwak of zeer
zwak.
Rendement van kleine opleidingen in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs
en het wetenschappelijk onderwijs
Lagere rendementen bij kleine opleidingen in het mbo en hoger onderwijs
- Middelbaar beroepsonderwijs: De rendementen van kleine mbo-opleidingen liggen ongeveer 7 procent lager dan die van mbo-opleidingen met meer dan zestig studenten.
- Hoger beroepsonderwijs: In het hoger beroepsonderwijs is het rendement van opleidingen met minder dan 25 studenten gemiddeld 26 procent. Voor grotere opleidingen ligt dit tussen de 40 en 50 procent.
- Onderwijs en techniek: In de sectoren onderwijs en techniek scoren kleine hbo-opleidingen twee keer lager dan vergelijkbare, grotere hbo-opleidingen.
- Wetenschappelijk onderwijs: In het wetenschappelijk onderwijs is de relatie tussen omvang en rendement minder sterk dan in het hoger beroepsonderwijs.
- Techniek, landbouw en gezondheidszorg: De rendementen van kleine wo-opleidingen zijn lager dan die van grotere wo-opleidingen. In de sectoren techniek, landbouw en gezondheidszorg zijn de rendementen van kleine opleidingen juist hoger.
Basisscholen
In het basisonderwijs blijven de leerprestaties op kleine scholen nog maar weinig achter bij grotere scholen. In het afgelopen schooljaar is de eerdere achterstand sterk ingelopen. Van de scholen met minder dan honderd leerlingen is 6,5 procent zwak of zeer zwak (tegen een landelijk gemiddelde van 4,4 procent). Uit inspectiegegevens blijkt dat vooral scholen die in de afgelopen vijf jaar sterk zijn gekrompen, vaker zwak of zeer zwak zijn. Een deel van de besturen van scholen in krimpregio’s lukt het niet om de kwaliteit van het onderwijs op peil te houden, mede omdat ze geconfronteerd worden met teruglopende financiën en minder personeel.
Voortgezet onderwijs
In het voortgezet onderwijs zijn vooral de kleine afdelingen in de hogere onderwijssoorten vaker zwak of zeer zwak. In het vwo gaat het om 40 procent van de kleine afdelingen. Ook kleine havo-afdelingen en vmbo-scholen met een kaderberoepsgerichte en/of gemengde/theoretische leerweg zijn vaker zwak of zeer zwak. In het praktijkonderwijs en bij vmbo-scholen met een basisberoepsgerichte leerweg zijn geen verschillen tussen kleine en grotere afdelingen.
Middelbaar beroepsonderwijs
In het mbo zijn de rendementen van kleine opleidingen ongeveer 7 procent lager dan die van grotere opleidingen (met meer dan zestig studenten). Kleine opleidingen vertonen onderling wel grote verschillen in rendementscijfers. Nadere analyse laat zien dat met name de kleine opleidingen op niveau 4 lager scoren dan gemiddeld. De rendementsverschillen doen zich vooral voor in de beroepsopleidende leerweg.
Hoger beroepsonderwijs
In het hoger beroepsonderwijs zijn de rendementen van kleine opleidingen lager dan die van grotere, namelijk 26 procent tegen 40 tot 50 procent. Hier zijn ook grote verschillen tussen de kleine opleidingen. In de sectoren onderwijs en techniek scoren de kleine opleidingen twee keer zo laag als vergelijkbare, grotere opleidingen. Een uitzondering vormen de opleidingen in de sectoren landbouw en gezondheidszorg: hier maakt omvang geen verschil voor de rendementen.
Wetenschappelijk onderwijs
In het wetenschappelijk onderwijs is de relatie tussen de omvang van de opleiding en rendementen minder sterk dan in het hoger beroepsonderwijs, al scoren opleidingen met minder dan 25 studenten wel lager dan opleidingen die 250 of meer studenten hebben. Ook hier zijn verschillen tussen de kleinere opleidingen onderling. In de sectoren techniek, landbouw en gezondheidszorg zijn de rendementen juist hoger dan die van vergelijkbare opleidingen met meer studenten.
Onderzoek naar oorzaken nodig
Er is nog weinig zicht op de redenen waarom kleine scholen en opleidingen meer risico lopen en hoe het komt dat sommige kleine scholen en opleidingen het heel goed doen en andere niet. Blijkbaar is het met een klein aantal leerlingen of studenten moeilijker om goed onderwijs te organiseren, hoewel sommige scholen of opleidingen daar wel in slagen. Het komend jaar zal de inspectie onderzoek doen naar de verschillen en een relatie leggen met krimp of groei van opleidingen en scholen.
Aandacht voor de kwaliteit en rendementen van kleine scholen en opleidingen is extra belangrijk.
Versnippering
Besturen doen er goed aan de kwaliteit en rendementen van kleine opleidingen in de gaten te houden. Daarnaast lijkt verdere versnippering van het opleidingenaanbod onwenselijk, als dit gepaard gaat met een verdere groei van kleine opleidingen.
Tot slot
Verbetering wenselijk
De Inspectie van het Onderwijs concludeert dat het in grote lijnen goed gaat met het Nederlandse onderwijs. Tegelijkertijd kan en moet het op een aantal punten beter.
Leerlingen
Het succes van leerlingen en studenten is mede afhankelijk van op welke school of opleiding ze zitten. Hun succes hangt in hoge mate af van hun leraren en de andere betrokkenen bij de school. De inspectie vraagt ook aandacht voor de ontwikkeling van kwetsbare leerlingen.
Verbeterpunten
Met dit Onderwijsverslag wil de inspectie een aantal verbeterpunten aandragen. Deze kunnen worden gebruikt voor gerichte professionalisering van leraren en verdere verbetering van scholen. Besturen en schoolleiders dienen deze ontwikkelingen te ondersteunen en de kwaliteit te borgen. Ervaringen in binnenen buitenland wijzen uit dat lerende organisaties de grootste kwaliteitsverbetering laten zien. Scholen zijn lerende organisaties met professionals die in onderlinge afhankelijkheid samenwerken.
Ontwikkelingen
Het komende jaar staan het onderwijs belangrijke, niet eenvoudige ontwikkelingen te wachten. Denk hierbij aan de invoering van Passend onderwijs, financiële uitdagingen voor besturen en de nieuwe eisen rond toetsing en examinering. Hiermee wordt verbetering van de taal- en rekenvaardigheden conform de referentieniveaus ook zichtbaar op klas- en leerlingniveau.
Inspiratiebron
De inspectie zou graag zien dat dit Onderwijsverslag niet alleen een naslagwerk, maar ook een inspiratiebron is voor leraren, schoolleiders en bestuurders. Alleen met elkaar kunnen we zorgen dat alle leerlingen het onderwijs krijgen dat ze nodig hebben.
- OECD (2011). Education at a Glance 2011. OECD Indicators. Paris: Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD).
- Bijl, R., Boelhouwer, J., Cloïn, M., & Pommer, E. (Red.) (2011). De sociale staat van Nederland 2011. Den Haag: Sociaal Cultureel Planbureau (SCP).
- Zie het Onderwijsverslag, maar ook: CBS (2011). Jaarboek onderwijs in cijfers 2011. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.
- OECD (2011). When students repeat grades or are transferred out of school: What does it mean for education systems? PISA in focus 6. Paris: Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD).
- Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2011). Kerncijfers 2006-2010. Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Den Haag: OCW.
- Inspectie van het Onderwijs (2011). De begeleiding van beginnende leraren in het voorgezet onderwijs. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
- Minne, B., Webbink, D., & Wiel, H. van der (2009). Zorg om zorgleerlingen: een blik op beleid, aantal en kosten van jonge zorgleerlingen. Den Haag: Centraal Planbureau (CPB).
- Inspectie van het Onderwijs (2011). Alternatieve afstudeertrajecten en de bewaking van het eindniveau in het hoger onderwijs. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.