Inspectie van het Onderwijs - Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Naar een nieuw toezichtkader voor het speciaal onderwijs

29 maart 2011

De wet stelt andere eisen aan het speciaal onderwijs de komende jaren; daarmee verandert ook het toezicht. Het wordt risicogericht: de inspectie gaat niet langer zonder meer periodiek een keer per vier jaar elke school onderzoeken, maar kijkt eerst of er mogelijk sprake is van risico’s op de school. Daarbij staan de opbrengsten straks veel meer centraal: scholen leveren in de toekomst opbrengstgegevens aan, om te verantwoorden of zij het maximale uit hun leerlingen hebben gehaald. Hieronder staat meer informatie over het nieuwe toezicht, het tijdpad van invoering, en de twee concept-toezichtkaders, een voor SO en een voor VSO, die de inspectie sinds 2010 op pilotscholen uitprobeert.

Toezichtkaders, pilots en tijdpad

In de aanpassing van de wet wordt een scherper onderscheid gemaakt tussen de so-afdeling (leerlingen tot twaalf jaar) en de vso-afdeling (leerlingen vanaf twaalf jaar). Er komen daarom twee toezichtkaders, een voor het SO en een voor het VSO; beide kaders gaan gelden vanaf augustus 2012. De twee toezichtkaders gelden voor alle clusters. Sinds 2010 probeert de inspectie de conceptversie van deze twee toezichtkaders uit op een aantal pilotscholen. Voor alle duidelijkheid: beoordeling en toekenning van het toezichtarrangement vindt in schooljaar 2011/2012 nog geheel volgens het huidige kader plaats.

De conceptversies van de twee toezichtkaders (voor SO en VSO) zijn op 1 maart in de ringen besproken; volgend jaar komen de (eventueel bijgestelde) conceptkaders opnieuw in de ringen. Op de landelijke informatiebijeenkomsten voor het speciaal onderwijs in maart is het nieuwe toezicht ook aan bod geweest. Zie ook de presentatie hiervan.

Risicogericht

Het toezicht op het (voortgezet) speciaal onderwijs wordt, meer nog dan nu, risicogericht. Zo wordt de bekende cyclus van vier jaar losgelaten. De inspectie gaat niet zonder meer elke vier jaar elke school onderzoeken, maar kijkt elk jaar bij elke school éérst, of zij risico’s op de school vermoedt. Deze risico’s kunnen blijken uit bepaalde informatie, de zogenaamde risico-indicatoren: de opbrengsten, maar ook het ontbreken van opbrengstgegevens, plotseling sterk veranderende leerlingpopulatie of personeelsverloop, signalen uit de media, internet, ouders en jaarstukken. Ziet de inspectie risico’s, dan bespreekt zij dit in het bestuursgesprek en volgt, waar nodig, een kwaliteitsonderzoek. Ziet ze geen risico’s, dan neemt de inspectie dat jaar geen verdere acties.
Waarom wordt het toezicht zo? Dit is vooral om het toezicht meer toe te spitsen op risicoscholen en hun besturen: zij krijgen vaker en intensiever toezicht, zodat zij zich ook sneller kunnen verbeteren.
NB: een risico is een vermoeden van een tekortkoming, maar dit hoeft niet per se zo te zijn. Nader onderzoek kan uitwijzen, dat de onderwijskwaliteit niet in het geding was.

Opbrengsten

In het (V)SO wordt ook opbrengstgericht werken belangrijker. In het nieuwe toezichtkader staan de opbrengsten en het ontwikkelingsperspectief daarom meer centraal. Scholen moeten straks aan de hand van opbrengstgegevens verantwoorden, dat ze het maximale uit hun leerlingen hebben gehaald. Dit is een ingrijpende verandering, want niet alle scholen voor SO en VSO zijn al in staat zich te verantwoorden over hun opbrengsten.
De eerste bevraging naar opbrengsten start in het schooljaar 2011/12:
dan gaat de inspectie bij de scholen voor SO en VSO opbrengstgegevens vragen over het cohort dat in schooljaar 2010/11 de school verlaat.
De inspectie vraagt van dit cohort uitstromers opbrengstgegevens (uitstroombestemming, toetsgegevens) en leerlingkenmerken
(onder meer IQ).

Scholen bij residentiële voorzieningen en Medische Kinderdagverblijven worden nog niet bevraagd, omdat bij hen, vanwege het tijdelijk verblijf van leerlingen, er doorgaans geen sprake is van eindopbrengsten.

Ontwikkelingsperspectief

Het ontwikkelingsperspectief – verplicht in het wetsvoorstel voor de nieuwe Kwaliteitswet – is het sturend instrument voor planmatig werken. Het is een document waarin de school duidelijk maakt welke leerroute de leerling gaat volgen. De school verbindt aan deze leerroute een eindniveau en een uitstroombestemming. Binnen de leerroute zijn leerlijnen ontwikkeld voor taal en rekenen, en voor leergebied overstijgende vakken. Dit geeft houvast voor het daadwerkelijke onderwijs in de groep. Bekend is dat leerkrachten over het algemeen drie niveaus binnen een groep goed aankunnen. Het werken met ontwikkelingsperspectief en leerlijnen biedt kansen om leerlingen te clusteren, zelfs door de hele school heen. Nu is er vaak een leerroute per leerling, zodat een leerkracht per leerling minder instructie kan geven. Hier valt dus veel winst te behalen.

Stuur door