Inspectie van het Onderwijs - Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Hoe beoordeelt de inspectie indicator 1.4?

8 december 2010

De inspectie merkt dat er onduidelijkheid bestaat over de manier waarop zij in het reguliere basisonderwijs omgaat met het beoordelen van indicator 1.4 (leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften ontwikkelen zich naar hun mogelijkheden). Daarom heeft ze haar werkwijze op papier gezet.

Uit onderzoek is gebleken dat leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften de meeste voortgang boeken als zij zo lang mogelijk bij het programma van hun basisgroep worden gehouden, zo nodig aangevuld met geïntensiveerde oefening en instructie (convergente differentiatie). Toch zijn er op bijna alle scholen wel één of meer leerlingen die vanwege hun specifieke onderwijsbehoeften door de school geheel of gedeeltelijk zijn losgekoppeld van het reguliere curriculum van de groep, en een eigen leerlijn hebben. Soms is dit een eigen leerlijn voor taal én rekenen, soms is dit een eigen leerlijn voor slechts één vak. Vaak doen deze leerlingen ook niet mee met de reguliere eindtoets, de niveautoets en de reguliere tussentijdse toetsen die op bepaalde momenten in het schooljaar gelden voor hun groep; soms – al dan niet gedeeltelijk - wel.

De inspectie vindt het belangrijk dat scholen kunnen aantonen (verantwoorden) dat deze leerlingen als gevolg van beperktere capaciteiten een eigen leerlijn hebben en niet als gevolg van lage ambities van de school of tekortkomingen in de kwaliteit van het onderwijs op de school. Ook vindt de inspectie het belangrijk dat scholen kunnen laten zien (verantwoorden) dat deze leerlingen voldoende voortgang boeken en blijven boeken. Daarom verwacht zij dat voor leerlingen die door de school voor één of meer vakken op een eigen leerlijn zijn gezet, een ontwikkelingsperspectief is opgesteld, zodanig dat de ontwikkeling van deze leerlingen kan worden beoordeeld (indicator 1.4). Zelfs als de school deze leerlingen laat meedoen aan de reguliere eindtoets en/of de reguliere tussentijdse toetsen, omdat zij bijvoorbeeld een individuele leerlijn hebben voor slechts één vak, en zelfs als bij indicator 1.1 niet voor deze leerlingen is herberekend, dan nog verwacht de inspectie dat scholen kunnen laten zien dat deze leerlingen individueel voldoende voortgang boeken.

Omdat ‘het ontwikkelingsperspectief’ in het basisonderwijs nog geen gangbaar en eenduidig fenomeen is, wordt indicator 1.4 vanaf 1 januari 2011 alleen beoordeeld voor leerlingen uit de huidige groep 8 die door de school voor één of meer vakken zijn losgekoppeld van het reguliere curriculum van de groep waarvan zij deel uitmaken. Indicator 1.4 wordt dus niet beoordeeld voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften in de groepen 1 t/m 7. Voor zover deze beoordeling van invloed is op het herberekenen van 1.1. (zie 2.1) is er geen sprake van terugwerkende kracht voor de jaren 2009 en 2010.

De beoordeling verloopt volgens de procedure beschreven in de notitie ‘Analyse en waarderingen van opbrengsten primair onderwijs’ (versie september 2010). De norm voor het oordeel ‘voldoende’ op deze indicator staat vermeld in de tabel op pagina B49.

Stuur door